Welcome to website van Kees Haremaker (pa2cjh)   Click to listen highlighted text! Welcome to website van Kees Haremaker (pa2cjh) Powered By GSpeech
Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief

Beste Gast,

{index}




{disable_rightclick} 

MIJNE LOTGEVALLEN IN FRANSCHE DIENST  

gedurende de jaren 1813 - 1814

door

Pieter Haremaker J s'z

V O O R R E D E

Voorplaat
Tekst onder de tekening op pagina 204

Kerel heb ik een moord begaan , dat ge mij zoo knevelt ?"

 




Hetgeen den Lezer in de volgende bladen wordt aangeboden , was oorspronkelijk niet voor de pers bestemd , Toen ik de Fransche dienst ontkomen en weder tot het burgerlijke leven teruggekeerd was, hield ik mij onledig met het ter nederstellen van mijne ontmoetingen en wedervaren in dit belangrijkste jaar mijns levens , zowel tot eene herinnering voor mij zelve , als om te voldoen
aan het verlangen mijner betrekkingen en vrien-
den. Om het alzoo geschrevene door den druk gemeen te maken , daaraan dacht ik niet ; want mijns inziens moest de bekendheid met wat mij wedervaren was , wel hen die mij kenden , maar niet zoo zeer het algemeen belang inboezemen ; bovendien kende ik mij de bekwaamheid niet toe om een aangenaam boek te schrijven , en om de eenvoudige feiten op te sieren , en ze door het vergrootglas der verbeelding zóó uit te doen komen , dat het dagverhaal als tot een roman werd , begeerde ik niet , Het heeft mij echter , reeds in dien tijd , niet aan aanzoeken ontbroken om mijne lotgevallen door den druk openbaar te maken , maar ik wees ze telkens af , want ik had niet geschreven uit zucht om iets in het licht te geven , of omdat ik er zoo groote waarde aan toekende. Liever gaf ik belangstellenden het manuscript
ter lezing , maar ondanks de zorg er voorgedragen , kostte dit mij moeite en tijd , daar door het vele be-

handelen sommige bladen gedurig moesten overgeschreven worden , en daar de lezing door den een aanzoeken van anderen uitlokten , was ik zelden lang bezitter van het werk. De vrees kwam meer dan eens bij mij op , dat het op die wijze eenmaal verloren mogt raken. Hierbij voegde zich later de aandrang mijner kinderen , welke die aantekeningen voor hen van groot belang achtten , en met leedwezen zouden gezien hebben , dat het verhaal van de lotgevallen huns vaders –-- een familie-erfdeel als het manuscript door hen beschouwd werd –-- vermist kon worden. De vrees en die aandrang zijn wel de hoofdoorzaken die mij er eindelijk toe deden besluiten mijne aantekeningen te doen drukken.
Ik gevoelde dat wanneer het publiek alzoo deelgenoot zou worden van wat weinigen gelezen hadden , het noodig was dat het geschrevene werd nagezien en in een vorm gebracht , die voldoen zou aan de eischen des tijds en die van de tegenwoordigen stand onze letterkunde. Ik betuig den geëerden heer Honig mijn hartelijken dank , dat hij aan mijn verzoek op eene wijze heeft willen voldoen , die mij en het publiek ook in dezen aan hem verpligt.
En hiermede zij mijn boek den lezer aanbevolen ; het schenke hem bij de lezing eenige genoeglijke oogenblikken , en mogt hij bij het leed en de rampen die mij wedervoeren , getroffen worden , het stemme hem tevens tot dankbaarheid , dat die tijd van ellende en schrik voorbij is , en gelukkige jaren voor land en volk zijn aangebroken onder het bewind van het geliefde Stamhuis!    Click to listen highlighted text! Hetgeen den Lezer in de volgende bladen wordt aangeboden , was oorspronkelijk niet voor de pers bestemd , Toen ik de Fransche dienst ontkomen en weder tot het burgerlijke leven teruggekeerd was, hield ik mij onledig met het ter nederstellen van mijne ontmoetingen en wedervaren in dit belangrijkste jaar mijns levens , zowel tot eene herinnering voor mij zelve , als om te voldoen aan het verlangen mijner betrekkingen en vrien- den. Om het alzoo geschrevene door den druk gemeen te maken , daaraan dacht ik niet ; want mijns inziens moest de bekendheid met wat mij wedervaren was , wel hen die mij kenden , maar niet zoo zeer het algemeen belang inboezemen ; bovendien kende ik mij de bekwaamheid niet toe om een aangenaam boek te schrijven , en om de eenvoudige feiten op te sieren , en ze door het vergrootglas der verbeelding zóó uit te doen komen , dat het dagverhaal als tot een roman werd , begeerde ik niet , Het heeft mij echter , reeds in dien tijd , niet aan aanzoeken ontbroken om mijne lotgevallen door den druk openbaar te maken , maar ik wees ze telkens af , want ik had niet geschreven uit zucht om iets in het licht te geven , of omdat ik er zoo groote waarde aan toekende. Liever gaf ik belangstellenden het manuscript ter lezing , maar ondanks de zorg er voorgedragen , kostte dit mij moeite en tijd , daar door het vele be- handelen sommige bladen gedurig moesten overgeschreven worden , en daar de lezing door den een aanzoeken van anderen uitlokten , was ik zelden lang bezitter van het werk. De vrees kwam meer dan eens bij mij op , dat het op die wijze eenmaal verloren mogt raken. Hierbij voegde zich later de aandrang mijner kinderen , welke die aantekeningen voor hen van groot belang achtten , en met leedwezen zouden gezien hebben , dat het verhaal van de lotgevallen huns vaders –-- een familie-erfdeel als het manuscript door hen beschouwd werd –-- vermist kon worden. De vrees en die aandrang zijn wel de hoofdoorzaken die mij er eindelijk toe deden besluiten mijne aantekeningen te doen drukken. Ik gevoelde dat wanneer het publiek alzoo deelgenoot zou worden van wat weinigen gelezen hadden , het noodig was dat het geschrevene werd nagezien en in een vorm gebracht , die voldoen zou aan de eischen des tijds en die van de tegenwoordigen stand onze letterkunde. Ik betuig den geëerden heer Honig mijn hartelijken dank , dat hij aan mijn verzoek op eene wijze heeft willen voldoen , die mij en het publiek ook in dezen aan hem verpligt. En hiermede zij mijn boek den lezer aanbevolen ; het schenke hem bij de lezing eenige genoeglijke oogenblikken , en mogt hij bij het leed en de rampen die mij wedervoeren , getroffen worden , het stemme hem tevens tot dankbaarheid , dat die tijd van ellende en schrik voorbij is , en gelukkige jaren voor land en volk zijn aangebroken onder het bewind van het geliefde Stamhuis!  Powered By GSpeech

Koog a/d Zaan DE SCHRIJVER.

 Hoofdstuk opgave

Blad XI

HOOFDSTUK I.

Loting. No. G3. Remplaceren. Gewaag p1an. Vertrek. Bekenden. Route en ontmoetingen

van Loenen tot Mons. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .1.

HOOFDSTUK Il.

Nieuwe bestemming. Aangenaam kwartier. Teleurstelling op de route naar Courbevoye. In de kazerne.
Indeling bij de garde, van Courbevoye naar Vincennes. Een menschlievend
Kolo
nel. Nachtelijke visite in de slaapzaal . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .11.

HOOFDSTUK III.

Leefwijze in de kazerne. Het regiment der Garde, J de Neef. Hoe wij den tijd moeten doorbrengen.
Spraakverwarrin
g Tcleurstelling van den klerenkoop, en wie er het beste aan toe was. . . . . . . . . 21

HOOFDSTUK IV.

Revue voor den generaal Kellermann. Onaangename teleurstelling. Zwemmen en baden. Eene
begrafenis te St. Denls. Eeu zondag in Parijs. Vertrek. uit St. Denis. . . . . . . . . . . . . . . 27

HOOFDSTUK V.

Kwartier te Meaux. Ontmoeting van van een Hollandsch meisje. Aangename route door Champagne.
O
nrust over een verloren ransel. Inspectie. Muzijk. Vermoeijende marschen. Wat het in heeft gedetacheerd te worden. Zieken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34

HOOFDSTUK VI.

Gesprek in eene gaarkeuken. Een benomen hoop, bij schonen vooruitzigten. Eene weigering die berouw geeft. Eene onrustige slaapkamer. Droevige tijding uit Zaandam. Metz. Vrijwillige ruiters. Een aangenaam kwartier , en dat het echter niet was. Langereis. Hoe wij de zondag vieren. Kermis te Kaiserslautern. Maintz Verdwaald , en hoe onder dak gekomen. Het krediet waarin de soldatenrok stond, tegen wil en dank bevestigd .. . . . . 42

HOOFDSTUK VII.

Van Maintz naar Frankfort. Aangenaam vooruitzigt, hoe moeijelijk te gelooven ook. Mislukte.
rnarode. Een excellent kwartier in de vrije rijksstad, Wurzburg. Het verruilde geweer.
Ontmoeting met de met den vriendlijken kolonel. De les daaruit getrokken. Voorkeur aan het ver-
blijf op het Iand. Wat de boer niet te lijden heeft. Een kwartier in Bamberg , zoo als een
soldaat er wcinige zal vinden. Het geweer wedergevonden. Filarski, Poging tot desertie.
Waarom sommige soldaten van pantalon verwisselden. . . . . . . . . . . . . . . . . 52

HOOFDSTUK VIII.

Vroegtijdige marschen. Plechtige ontvangst door de boeren bij Schleitz., Brigands . Wat de
Franschen daaronder verstaan. Voorzorg, Zeitz. Onaangename aandoening. Nog een staaltje
van de bedaardheid van onzen kolonel. Sporen door den oorlog achtergelaten. Een deserteur
en het oordeel van de kolonel over de Hollandsche soldaten. Dresden. Het beloofde land.. . . . . . 62

HOOFDSTUK IX.

Teleurstelling in het kamp. Revue. Nieuwe bezigheden. Verbijf in het. kamp. Wat wij er
ontberen en genieten kouden. Den Keizer gezien. Dresden. Overhaast vertrek. . . . . . . . . . 69

HOOFDSTUK X.

JogtTocht over het reuzengebergte. Koningstein. Lilienstein. Beklimming van en een heerlijk pa-
norama op dezen berg. Op nieuw gekampeerd. Zware arbeid en veel leeds te zien. Diefstal
tegen wil en dank. .Avancement. Hoe het daarmede afliep. Exercitiën, Op wacht, Een

gelukkig toeval. Wat men den soldaat vertelt. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78

HOOFDSTUK XI.

VertVertrek van den Liliënstein , om den verjaardag des Keizers te vieren. Hoe Iuisterrijk dit was ,
en hoe de soldaat onthaald werd. Einde van den wapenstilstand. Voorwaarts. De puinhopen
van Bischoffswerda en droevige gevolgen van den oorlog. Een brief van huis . . . . . . . . . . 90

HOOFDSTUK XII.

Van Bantzen naar Hochkirch. Eene te duur gekochte rust. Eene drukke bakkerij. Ostritz. Arrest.

De Ophanden zijnde slag. Napoleon. Kanonvuur. Sombere stemming des gemoede. En avant.
Het loopt op eene plundering .uit, Ellende. Een verdiend verwijt. Ecne smulpartij , en wie
daaraan deel mogten nemen. Haastig oprukken. Nog eens de Keizer. en een raadsel opgelost. . . . . . 99

HOOFDSTUK XIII.

Yer Vermoeijende marseh, Een uitstapje dat langcr duurt dan het voornemen was, en hoe achter-
blijvers den tijd doorbrengen. De gastvrije ontvangst te Themensdorf. Nachtelijk rumoer.
Terugtogt der armee. Een afscheid dat niet van langen duur zijn zal . . . . . . . . . . . . . 111

Blad XII

HOOFDSTUK XIV.

Vertrek naar Lauben. Ontmoeting in Schreibersdorff. Gevangen, Ontsnapping. Kwartier bij een
kleermaker. Het verzoek. Zotte positie. Kapitulatie. Geweigerde en genomene beloning .
Eene dorpendéputatie. Vethaast vertrek. Onrustige nacht. Onwelkome gasten. Kwade doch

welkome geruchten. Besluit tot desertie. De huzaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .120

HOOFDSTUK XV.

In dun val. Görlitz de verzamelplaats der achterblijvers. De omgeworpen hut. Plan tot ont-
vluchten. Het gelukt. Voorzorgen die de een goed doch de ander nutteloos keurt , waar-
van toch het noodzakelijke blijkt. Een vreemd kostuum. De goede maar bevreesde gastheer.
Scheiding , Kozakken , Hoe de een lacht en de ander boos word , maar toch de vriendschap
bestaan blijft. Terugkeer naar de jachthoeve. Angst. Deruiling. Nieuwe plannen. Vertrek. . . . . . . 130

HOOFDSTUK XVI.

Weder op weg. Gedurige angst. Görlitz. Het Pruissische leger. Wat het is te deserteren.
Kwartier bij een kuiper. Eene weluitgedachte ziekte. Onrustige nacht. Kwade tijdingen.
Terugtogt der Pruisen. In het bosch. Schreibersdorff. Vervlogen hoop. De gastvrije kleer-
maker. De Kozakken. Plundering. Ellendige toestand en droevige vooruitzigten. . . . . . . . . . . 143

HOOFDSTUK XVII.

Overtogt van de Queijsse. Weder Kozakken. Themensdorff en de gastvrije vrouw. Veldarbeid.

Uit de eene dienst in de andere. Ontslagen. Krachtige vrouwen in Saxen. Nog eens over
de Queijsse. Een leugen om best wil. De korenmolen. Lange togt. De hut in het bosch.
Het zieke kind. Een aanzienlijk persoon. Slaafsche onderwerping. . . . . . . . . . . . . .
159

HOOFDSTUK XVIII.

De beek. Zonderlinge manier om arrestanten te maken. Het noodlottig besluit. Hij stond ook
bij de landweer. De Schout-herbergier. Opheldering. Zonderlinge geleiders. Opgewekte hoop.
De barsche kommandant. Sagan. Sprottau. Bolkowitz. Liegnitz. Allerlei landaard. De

hoofdwacht. Vertrek met een droevig gezelschap. Breslau. Akelig nachtverblijf. . . . . . . . . .171

HOOFDSTUK XIX.

Vreselijk schouwspel. Ellende op ellende. Het groote lazareth. Als krankbewaarder aange-
steld. Tegenzin in dit leven.
Besluit het vaarwel te zeggen. Afscheid van Koke. Voorne-
men. Voor spion aangezien. Het verblijf in de gevangenis. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185

HOOFDSTUK XX.

Arbeid. De spinmeester. Nieuw verhoor. De strik. Nieuwe bezigheden en nieuwe ellende.
Wanhoop. Blijde tijding. Verlossing. Bittere teleursteling. In boeijen. Laatste redmiddel.

Vertrek uit Breslau. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198

HOOFDSTUK XXL.

De moeijelijke voetreis. Het wirthshaus, Een lang ontbeerd genot. Eentoonige weg. De
Christusbeelden, Overdenkingen, Schweidnitz. De boeijen afgenomen. Gekleed. Het cor-
rectiehuis. Een landgenoot. Hoe het er in het gebouw uitziet. De spinzalen en hoe het werk
daar
verrigt werd. Zingen en bidden. Goeden nacht. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 206

HOOFDSTUK XXII.

Aan het werk. Ontbijt en middagmaal. In de kerk. Zes dagen werken en den zevenden geen
rust. Belooning. Onvoorziene straf. Het reglement van orde. Ziekte. Gevaarlijke toestand.
Hoe de zieken behandeld worden. Droevige gedachten. Beterschap. De honger is een scherp
zwaard. Verveling. De handige barbier. Tot het werk terug. Een milde bron ontdekt , maar

schielijk gestopt , helaas ! Gewichtige tijding. Weder soldaat. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 218

HOOFDSTUK XXIII.

Hoe de Brabander een heugelijk nieuwe opneemt. Ongeduld. Hartelijk afscheid. Verlaten van
correctiehuis. Berooving. Op nieuw in den provoost. Droevig vooruitzigt op eens ver-
verhelderd. Naar Breslau, Een schrikkelijk vonnis. Oude kennis. Vertrek en route naar Schwedt.

Lijden op dien togt , en waartoe de ellende vervoeren kan. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 230

HOOFDSTUK XXIV.

Het Oranje-legioen. Engelsche uniform. Onverwacht wederzien. Vertrek uit Schwedt. Gulle
ontvangst in Berlijn. Potsdam. Moeite om onder dak te komen en hoe beloont. Slechte
vooruitzigten en hoe die bewaarheid worden. Wat het legioen te lijden had , het Bran-
denburg bereikte en hoe het er aankomt. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 240

HOOFDSTUK XXV.

Eene voorzorg , die te laat komt. Afmarcheren en naar het hospitaal. Hoe het daar gesteld was.

Dragelijke toestand. Hersteld verklaard en vertrek. De kanonniers uit Dantzig. Een warm
kwartier. Van Genthiu naar Brunswijk. Moeijelijke marsch door Hanover. In het hospitaal
te Hamelen. Verlangen naar huis. De brief. Teleurgestelde hoop. Het hospitaal te Munster.

De vriendelijke kommandant. Bielefeld. Naar het Vaderland. . . . . . . . . . . . . . . . 251

HOOFDSTUK XXVI.

Borkulo. Ontmoeting in Amersfoort. Een onaangenaam berigt. Utrecht. Een medegedeeld plan , dat

uitgevoerd wordt. Reis naar en komst in Amsterdam. Hartelijke ontvangst bij Den heer Wenker.
Vrienden. Naar de Zaan! Te huis en de dood nabij. Lot mijner oude wapenbroeders. Besluit.



H 0 0 F D S T U K   I.

••

Loting. Nr. 63. Remplaceren. Gewaagd plan. Vertrek. Bekenden. Route
en ontmoetingen van Loenen tot Mons.

Het zal onnoodig zijn te vermelden, wat ons Vaderland leed onder den ijzeren scepter van den Franschen Keizer ; de geschiedenis heeft het geboekt, wat de Nederlanders onder zijn bestuur hebben moeten ondergaan , hoeveel goed en bloed zijne heerschzucht gekost heeft ; en huivert men thans bij het lezen dier geschiedenis , wat moeten zij zich dan al niet herinneren , die met mij dien rampspoedigen tijd beleefd hebben ? Zij vooral zullen zich die jaren van onrust en kommer met mij te binnen brengen , die jaren,
welke dreigend en dreigend nader kwamen , waarin ook zij den leeftijd bereikt hadden dien de wet aanwees , om den Keizer in zijne legers te dienen.
Den Keizer te dienen , wat was het anders dan uit den maatschappelijken kring gerukt , van vriend en maag gescheiden , naar vreemde gewesten gevoerd te worden , van den eenen strijd tot den anderen , - tot den dood ? 
Den Keizer te dienen - en als zoo velen ligt nooit
terug te keeren , kon ook mijn lot worden , want zij , 

2 -

die in 1792 geboren waren , vielen in de conscriptie van het jaar 1813, en dat jaar was aanstaande , en ik behoef mij niet te schamen , als ik beken de loting met eene angstige bezorgdheid te hebben te gemoet gezien. Hoogstbelangrijk zou voor mij dus de 25e Februarij van het jaar 1813 zijn ; die dag zou zoo veel beslissen. Die gevreesde dag brak aan , en met 105 personen , die allen uit het kanton Zaandam N°. 1,
in de requisitie vielen , bevond ik mij in het kerkgebouw der Hervormden te Westzaan. Ik trok Nr 63. Voorwaar geen gelukkig lot , want wij wisten, dat er 26 conscrits in actieve dienst geleverd moesten worden ,
en dat er velen onder de lotelingen waren die gebreken of andere redenen tot vrijstelling hadden , en dus de kans zeer klein was om vrij te trekken. Mijn 
lot kon ik alzoo als beslist beschouwen , en remplaceren was was het eenigste dat overbleef , wilde ik de mijnen en mijn betrekking niet verlaten.
Met a
lle de grievende omstandigheden , waarin dit remplaceren mij wikkelde , zoude ik bladzijden kunnen vullen , doch daar ik noch de lage streken der remplacanten , noch de verregaande willekeur van een de Celles uitvoerig wensch te beschrijven , zal het genoeg zijn te vermelden , dat het afkeuren van mijn remplacant om eene streep lengte en de weigering tot voorstelling van een' ander persoon , oorzaak was  dat ik zelf moest optreden , en ondervinden wat de volgende bladen behelzen zullen.  Vergeefs waren de pogingen geweest , die velen mijner vrienden na de afkeuring van mijn' eersten plaatsver-

– 3 -

vanger beproefd hadden , om mij van de dienst te bevrijden ; geen middel kon men vinden dat slaagde , zelfs niet die door regtsgeleerden aan de hand gegeven waren. Men scheen besloten mij in dienst te willen houden. Immers toen ik het bevel ontvangen had mij naar Amsterdam te begeven , en ons kontingent aldaar voor den prefect op het drilveld gemonsterd werd , had ik gezorgd weder twee remplaçanten bij mij te heb-
ben , om als hij het toestond een hunner in dienst te doen treden , maar te vergeefs. “ De Keizer duldt geen remplaçanten ! De eer is ook te groot om onder zijne vanen te dienen , dan dat gij remplaceren zoudt !" was al wat mij de Celles antwoordde , en waarmede hij iedere kans afsneed.

Den 2 den April werd daarop als de dag van ons vertrek aangewezen. Ons transport naar Mons bestemd, bestond uit , 80 man, waarvan er 20 tot chasseurs gekozen werden , de overigen zouden in de garde ingedeeld worden,

Eindelijk , ten einde raad , daar mijn vertrek nu als zeker was , werd er , om tijd te winnen , nog eene kunstgreep verzonnen , en deze was een vomitif , dat mij zulk een ziekelijk aanzien moest geven , dat het opmarcheren door mijn zwakken toestand als onmogelijk geacht kon worden. Dan deze coup werd niet ondernomen , alzoo zij hoogst gevaarlijk had kunnen worden, niet alleen voor mij, maar ook voor de veiligheid mijner
vrienden, daar bij de policie onze nachtelijke bijeenkomsten reeds in het oog begonnen te loopen. Ik moest dus zorg dragen ten spoedigste weg te komen, wilde ik niet als achterblijver aangemerkt worden, daar

4 -

het transport reeds op den bepaalden morgen ten 6 ure vertrokken was, en ik mij om 2 ure des namiddags nog in Amsterdam bevond. De gelegenheid werd mij dus benomen mijne moeder vaarwel te kunnen zeggen. Een der mij vergezellende vrienden belastte zich met die smartelijke taak.
Ik zal
het niet wagen te beschrijven met welk gevoel ik het rijtuig beklom , dat mij tot Loenen brengen zou, waar het transport nachtkwartier moest houden.
Bij mijne aankomst aldaar ging ik met den nog bij mij gebleven vriend , A. J. Maij , naar het logement en verzocht den sergeant , wien menig rekruut reeds een goed glas wijn had toegediend , om de rol eens te mogen zien. - Er was namelijk eene flaauwe hoop bij mij opgekomen, daar ik bij het transport een' de V ... , van de Zandpoort niet gevonden had ; deze toch had in denzelfden neteligen toestand als ik verkeerd , en daar wij op de controle ook niemand als hem remplacerende vonden aangeteekend , zoo vertrok mijn vriend onmiddelijk naar Amsterdam , om op
te sporen, waardoor hij zijne vrijstelling had weten 
te verwerven, alles in de hoop of ook mij hetzelfde middel zou kunnen helpen. Had ik geweten wat dheer de V... mij jaren na mijne terugkomst, mededeelde , dat geene andere oorzaak hem van de dienst bevrijd had , dan de post , dien hij aan de mairie bekleedde , waarin hij als onmisbaar geacht werd , ik zoude er mij niet als toen mede gevleid hebben. Mislukte het dan bleef het eenige vooruitzigt mij over , een half jaar in de dienst door te brengen , want dan scheen er nog kans te zijn tot. Remplaceren. Helaas!

– 5 -

vruchteloos hebben mijne ouders tot het onderhoud van een' remplaçant , in dat vooruitzigt aangenomen, hunne penningen uitgegeven.Toen mijn vriend mij verlaten had , zat ik treurig  en bedrukt onder mijne lotgenooten ter neder. Welhaast echter werd ik opgezocht door mijn' plaatsgenoot
M. Kamphuijzen, Deze vertelde mij dat de andere conscrit van Koog aan de Zaan, T. Nieuwenhuijzen, het reeds te Amsterdam ontvlugt was. Ik gevoelde mij nu niet meer zoo eenzaam , en het beurde mij op , toen ook andere jongelingen uit onze Zaanlandsche dorpen, als M. Reck , J. de Neef, C. van Riel , G. Schone, P. Muis en C. Veldhuijzen zich bij ons in het logoment voegden. De avond maakte een einde aan ons gezellig verkeer , dat grooten invloed had om den druk van het oogenblik te lenigen. Toen ik echter in mijn kwartier kwam , ondervond ik reeds wat den
soldaat te wachten stond. De avondkost , grutten en melk , smaakte mij wel , dat was ik in de ouderlijke woning soms meer gewoon , maar de slaapplaats op den' zoldcr , met het ameublement van één matteloozen stoel. . . . De vermoeijenissen van den dag en den nacht , die wij in Amsterdam doorgebragt hadden , met zoo velerlei overleggingen en omzwervingen , om iets te vinden dat mij baten kon , deden mij echter spoedig insluimeren.

Den volgenden dag om 6 ure sloeg de tamboer reveille , dat mij vreemd in de ooren klonk , want ik kon mij nog maar niet verbeelden dat ik werkelijk soldaat was. Ten 7 ure werd door den sergeant en twee korporaals appel gehouden en een uur later ver-

6 -

trokken wij met eene trekschuit, die voor 2 stuivers per man afgehuurd was, naar Utrecht. Wonderlijker reisgezelschap als het onze zag ik zelden , de een stortte een zee van tranen, een ander zong hooge toonen , terwijl een derde, die schiedam al goed had aangesproken, allerlei grappen uitvoerde. Zoo kwamen wij te Utrecht aan , Het kwartier aldaar was zoo slecht als ik het later maar zeldzaam in den vreemde vond. Wij waren met 20 man hier besteed , dat voor een soldaat altijd beklagenswaardig is, daar men er steeds in den buik wordt geslagen en erbarmelijke slaapplaatsen heeft.

In Utrecht hadden wij tijd in overvloed. Ons eenigste werk als rekruten was het appel bij te wonnen en ons commiesbrood te halen. De meesten echter verkochten dat voor een' spotprijs , want er was nog te veel geld op zak , dan dat het grove gebak zoo dadelijk zijne liefhcbbcrs zou gevonden hebben. --- Wij besteedden alzoo de uren die wij in Utrecht bleven ,. met de stad te doorkruisen , beklommen den Dom en een geruimen tijd verlustigde ik mij mij met eenige kamaraden in het heerlijke vergezigt.
Den 4den marcheerden wij op Zoelmond. De Geldersche potagie in mijn kwartier beviel mij goed, en het was een aanlokkelIjk gezigt , die aanzienlijke hoeveelheid worsten , welke mijn kamertje versierden ; vier maanden later zou dit mij hebben doen watertanden , zoo niet de hand er naar uitstrekken.

Van hier trokken wij den volgenden dag over Gelmalsen , Waardenburg en Meteren , en kwamen des namiddags te Zaltbommel. --- Hier zouden wij den anderen dag overblijven. De logementen , welke van

-7-

een biljart voorzien waren , hadden ruim bezoek , Ik maakte van de gelegenheid gebruik een' brief aan mijne ouders te schrijven.

Den 7den marcheerden wij op den Bosch ; de togt door den Bommelerwaard bekwam ons slecht , daar de aanhoudende regen den weg bijkans onbruikbaar gemaakt had. Vermoeid en bemorst kwamen wij in de stad aan waar ik weder besteed , dadelijk den aftogt blies en mijn intrek in een logement nam , Mij hier wat van de slijk ontdaan hebbende , nam ik een kijkje van de stad en hare kerken.

Van 's Hertogenbosch was onze marsch op Tilburg en den 9 den op Hoogstraten , een groot en aanzienlijk dorp , waar wij duchtig de Brabandsche bieren proefden. Den 10den namen wij de reis naar Antwerpen aan , maar ter naauwernood was de halve tap afgelegd , of eenige , die zich vermoeid achtten , huurden een' boerewagen, om hen verder te brengen. Een hunner , die eene viool bezat , speelde lustig daarop , terwijl de rest om het zeerste hunne longen werk gaf , waardoor deze gedurig bevochtigd moesten, zoodat dan ook geen kapelletje ontmoet werd of er moest eene bedevaart gehouden worden. Het gebruikte vocht had dan ook weldra het gevolg dat sergeant noch korporaal , hoe ze vloekten of baden , iets meer te be-
velen had ; de discipline was verbroken , en gedurig zaten wij , voetgangers , aan de route om het rijtuig af te wachten. Op het onverwachts ontmoette ons hier een bekende , wiens gelaat wel zoo vrolijk stond als
het onze , namelijk Cs. Smit van Oostzaandam , die uit Frankrijk met zijn ontslag terugkeerde.

– 8 -

Eindelijk was Antwerpen bereikt , en wij hielden halt om de karavaan in te wachten , die zeer scherp door , onzen chef de transport verwelkomd werd. Zijne bedreiging , om de schuldigen militairement te doen afstraffen , had zoo veel invloed , dat men zeer bedaard de poort binnentrok. Voor het stadhuis werd er halt gekommandeerd en de plaatsmajoor hield inspectie , waarna de biljetten werden afgegeven.

De volgenden morgen was ik met eenige kameraden reeds vroeg op de been om de stad te bezien. Aan de Schelde ontmoetten wij eenige galeiboeven , die in het rood gekleed en aan ketenen geklonken waren , alsmede een aantal Spaansche krijgsgevangenen , die aan batterijen werkten. Hoe afschrikwekkend zij er ook uitzagen , ons hart had medelijden met die ongelukkigen , wien de zwaarste arbeid opgelegd was.

Een toeval verschafte ons gelegenheid om een vier en zeventiger te bezigtigen , een zeekasteel zoo als de
meesten onzer nog nimmer gezien hadden.

In de stad teruggekeerd bezochten wij de kerken en verlustigden ons in hunnen rijkdom en pracht , geboeid als wij werden door de vele schilderstukken , waarmee die gebouwen prijken. Wij bezochten de beurs , maar de landswerf mogt door den rekruut niet betreden worden , en bovendien ons uiterlijk voorkomen zou ons de poort ook niet gewillig hebben doen openen , even als wij dat al meer ondervonden hadden bij eene aanvraag om iets te mogen zien. --- Velen Onzer waren dan ook niet in hun zondagspak van huis gegaan.

In ons kwartier teruggekomen maakten wij menage , 

- 9 -

d.i , wij deden een stuivertje rond , om een' hollandschen pot te kunnen hebben , dat grootendeels daar-
om geschiedde , opdat de meesten onzer , geen fransch verstaan de , niet op eene schandelijke wijze bedrogen
zouden worden ; zoo als sommigen met het wisselen van geld reeds geschied was , Het beviel ons zoo goed
van op die manier eene eigen keuken te hebben , dat wij het voor eene gewoonte aannamen.

Des maandags morgens verlieten wij Antwerpen en marcheerden op Mechelen , waar ik weder besteed
werd. Ik gevoelde den volgenden morgen groot berouw dat ik in dit kwartier gebleven was , daar er
hier gelogeerd waren , wier nachtelijke uitstapjes mij weinig slaap deden genieten.

Onze marsch op Brussel was door het schoonste weder begunstigd. Bij onze aankomst , op den 13den werden wij , zoo als in alle groote steden , door den plaatskommandant geïnspecteerd. Hoe en waar wij hier allen zijn gehuisvest geworden , is mij duister gebleven. Ik met een aantal van ons transport , werd in eene smerige barak ingekwartierd , men zorgde voor niets en liet ons maar om de kribben rondloopen , Gelukkig moest ik mij rekenen boven velen , daar mijne ouders mij van eene goede som gelds hadden voorzien , niet afhankelijk te zijn van dat kwartier.
Ik voorzag mij alzoo bij een' restaurateur van het noodige , en besteedde den overigen tijd met eene wan-
deling in het park, een aanleg zoo schoon als een ter wereld.

Den volgenden morgen marcheerden wij van Brussel op Braine le le Comte. Een marsch , dien mij door eene

- 10-

eeltzweer onder den hiel , zeer moeijelijk viel. In dit onbeduidend stadje konden wij niet gebiljetteerd wor-
den , waardoor de boeren in den omtrek met onze huisvesting begunstigd werden. Van hier gingen wij
des anderen daags op Soignies en van daar naar Mons of Bergen in Henegouwen. Had ik den vorigen dag
reeds last van mijnen voet gehad , een' moeijelijker marsch dan heden herinner ik mij niet ooit gemaakt
te hebben ; de pijn was soms zoo ondragelijk dat ik gedurig achterblijven moest , en het zweet mij van het
gelaat druppelde. Zoodra had ik de stad niet bereikt , of al strompelende over de keisteenen , dat mijn pijn
nog vergrootte , zocht ik een' heelmeester op , die door gepaste hulp mij oogenblikkelijk verligting van pijn
schonk , en ik moest mij verwonderen dat ik des avonds mij in staat gevoelde , om met mijn kameraden eenige
molens buiten de stad , die door het water in bewegin
gebragt werden , te gaan bezigtigen.

De raad , dien de heelmeester mij bij zijne operatie gaf , om nu en dan een voetbad te nemen , ten einde eene verharding der eelt voor te komen , volgde ik getrouwelijk op , en heb er mij goed bij bevonden.

---O---


HOOFDSTUK II.

••


N
ieuwe bestemming. Aangenaam kwartier. Teleurstelling op de route naar Courbevoye. In de kazerne. Indeling bij de garde, van Courbevoye naar Vincennes. Een menschlievend Kolonel. Nachtelijke visite in dslaapzaal.

Te Mons bleven de chasseurs uit ons transport achter. Wij overigen ontvingen bevel naar Courbevoye te trek-
ken. Een lange route lag dus nog voor ons. Den volgenden dag marcheerden wij op Valenciennes , waar wij niet in de stad maar bij de boeren onzen intrek mog
ten nemen. Dit maakte echter weinig verschil , want stedeling of boer , men was niet verpligt ons meer te geven dan licht , vuur , zout en zuur ; die dus geld had nam het zoo naauw niet , want onze gage was ter naauwernood toereikend om de schoenen er van te kunnen doen lappen.

De kwartieren waren zeer armoedig ; de boeren in die streek konden trouwens ook op niet veel welvaart roemen. Diegene onder ons die het nog het beste getroffen had , werd door de overigen opgezocht en bij hem de menage gehouden. Zandbergen van Medemblik had hier de voorkeur , te meer daar het huisgezin van zijn' boer drie dochters telde , die gul en vriendelijk van aard waren. Als wij daar zaten en de opmerking maakten hoe in het oogvallend het was , dat zoo vele

- 12 -

jongelingen in het leger waren opgeroepen , kwamen de vrouw des huizes de tranen in de oogen. En geen moeder had drie zonen in de dienst verloren! Maar de boer nam de muts af en ze over het hoofd zwaaijende , riep hij uit : 't is voor de eer van Napoleon! en dat woord , opgewonden als het geuit werd , verdreef ook de aandoening der boerin.

Daar het den volgende dag rustdag was , was het ons aangenaam hier zoo goed getroffen te hebben , en als wij des avonds onder deze landlieden nederzaten ontbrak het niet aan kortswijl en het uitvoeren van allerlei grappen , en hoe rumoerig het er soms ook toeging , de boer deed van harte mede en de francaises mogten onze vrolijkheid wel lijden. Een blijk daarvan was de uitnodiging om den volgende dag het paaschfeest bij hen te komen vieren. Maar helaas! Onze marschroute luide op Kamerijk , waar wij doornat aankwamen en den nacht overbleven.
Van hier trokken wij op St. Quentin. Vrolijk marcheerden wij die stad binnen , en geen wonder , want op de gewone halt was de wijn duchtig aangesproken , en dat voor drie stuivers hollandsch de flesch. "Wie kan daar afblijven!" was het algemeene woord. En dat dit het geval niet geweest was , ondervond onze sergeant , want toen de biljetten afgegeven waren , wilde niemand naar zijn kwartier gaan , op de markt werd zoo herhaaldelijk aan Bachus geofferd , dat de meesten wel moeite gehad zullen hebben om in hun kwartier te komen.
De gevolgen van dit
feestvieren bleven ook niet uit , want eer wij St. Quentin verlieten , moest er met den 

- 13 -

sergeant over eenige den vorigen avond ingeslagen glazen verrekend worden , ten gevolge waarvan de goed-
koope wijn ten slotte nog duur te staan kwam. Dit verrekenen liep niet zonder twist af , en was ik verheugd
niet in deze zaak betrokken te zijn , niet minder was ik het dat wij onzen marsch vervolgen mogten. Bij
Ham ontmoetten ons de rekruten uit Gascogne , die ons plaats geruimd hadden en nu naar Namen trokken, 
Van Ham marcheerden wij op Noyon, een bekoorlijk gelegen stadje in Picardië , en werden in den omtrek bij de boeren ingekwartierd. Het zag er bij deze even armoedig uit als te Valenciennes , maar allen waren een ezel rijker , en het was kluchtig om te zien , hoe wij ons door die graauwtjes naar het appel lieten dragen.
Den 23sten marcheerden wij op Compiegne aan de Oise. De afwisselende schoonheden der streek door welke wij trokken , eene zoo schoone natuur als wij in Frankrijk nog niet gezien hadden , verklaarde het mij hoe het Hof Parijs verlaten kan , om hier eenigen tijd door te brengen. De stad zelve doet zich aan den kant der rivier , waarover eene brug , op onderscheidene bogen rustende , ligt, voordeelig voor , maar van binnen beantwoordde zij niet aan de opgewekte verwachting. Het lustslot is een schoon gebouw. 

Den volgenden ochtend lag de route door het groote bosch van Compiegne naar Senlis. Ik werd met eenige kameraden nabij deze stad op eene pachthoeve gehuisvest, waar , toen wij aankwamen , de maaltijd gereed stond en de flesch ontkurkt werd. Des avonds was er feest , aan welks onschuldig genot wij met de tevreden landlieden deelden.

14 -

Van Senlis , marcheerden wij op Louvres Hier kocht ik voor 10 frs. mijn jas. Het warme weder deed mij , die nog een valies te torschen had , daartoe besluiten , eerstdaags zou ik toch daartoe moeten overgaan. In Louvres vermaakten wij ons des namiddags met kolven , eene uitspanning die ik Frankrijk onbekend dacht. De overdekte baan en alles wat tot het spel noodig is , kon men in Holland niet beter wenschen.
Den 26sten April marcheerden wij op de plaats onzer bestemming aan ; geen onzer of hij verlangde vurig naar rust. Wij waren St. Denis nog niet genaderd of Parijs lag in hare geheele uitgestrektheid voor ons. In St. Denis hielden wij halt , en toen wij daarop de route naar Courbevoye hadden ingeslagen , liet de sergeant andermaal rust nemen , ten einde de te goed zijn de gage bij ons aan te zuiveren. Spoedig waren de weinige franken -- tien sous per dag was onze gage -- in de beurs. Wij keerden toen Parijs den rug toe , en hadden weldra het welgebouwde en aan een bogt der Seine gelegen vlek voor ons. Wij trokken de brug over en schaarden ons op het plein voor de caserne , een uitgestrekt vierkant door een' steenen  muur omgeven. Voor de laatste maal hield de sergeant appel over het transport , waarvan 5 man onder weg gedeserteerd waren. Een hoofdofficier nam toen de rol van hem over ; wij namen een hartelijk afscheid van den sergeant en de beide korporaals , die ons goed en vriendelijk behandeld hadden. Zij keerden naar Holland terug. Een' geruimen tijd bleven wij hier als eene kudde

- 15 -

schapen bijeen. De vele rekruten die wij echter zagen drillen , het “ droit , gauche ," (links, regts ,) het eenige
geluid dat wij hoorden , voorspelden het lot dat ons wachtte. Sommigen onzer slopen de kazerne binnen ,
en maakten zich van eenige kribben meester , die de fransche rekruten hun eigendom noemden. Het gezag
der onderofficieren was noodig om de orde te herstellen ; de Franschen werden in hun regt gehandhaafd ,
de Hollanders moesten den aftogt blazen. Eindelijk werd er op eene andere manier nota van ons genomen.
Een officier gaf ons verlof in Courbevoye te vernachten. Een bevel dat van het doorzigt dier heeren getuigde ,
want van de dus uitgewonnen menage konden zij hunne flesch drinken.

Den volgenden ochtend waren wij volgens order reeds ten 6 ure op het plein , als ook eenige afdeelingen der
fransche rekruten. Wij werden toen gemonsterd om naar gelang onzer gestalte bij de gensd'armes , volti-
geurs , tirailleurs of de linietroepen ingedeeld te worden. Mijne vrienden en ik waren alzoo grenadiers-
tirailleurs ; Muis en Veldhuizen echter werden bij de linietroepen geplaatst.

Naauwelijks was dit afgeloopen of het was : “ regts uit de flank , marsch!" en wij verlieten Courbevoye.
Waarheen wist niemand. Weldra echter zagen wij Parijs weder , en langs een' heerlijk beplanten weg ,
aan weêrszijden waarvan lustverblijven en hoven elkander naar de kroon staken , bereikten wij door de
Champs Elysée Frankrijks hoofdstad , trokken over de Seine langs de Tuillerien , en vervolgens door eene naauwe
straat naar eene barrière , die in pracht veel verschilde

– 16 -

met die welke wij binnen kwamen , en wij hadden Parijs weder verlaten. Wij trokken voort naar Vincennes , zoo berucht door den dood van den Hertog van Enghien, op last des Keizers vermoord. De poorten van het kasteel , dat zoo menig staatsman ten kerker diende , werden ons geopend , en na onzen intogt onmiddelijk gegrendeld.

Aan welke veranderingen en kontrasten , dacht ik, staat de soldaat niet bloot. Zoo waren wij in den bekoorlijken omtrek van Parijs , een oogenblik daarna in die stad vol weelde en vermaak , thans in een langwerpig vierkant , door muren van 40 à 50 voet hoog en 7 á 8 voeten dik omgcven , als opgesloten.

Even als te Courbevoye liet men ons vrij rondgaan , en hoe zouden we ook over die reusachtige muren hebben
kunnen komen ? Het vierkante plein werd nog door 3 of 4 muren met open poorten dwars doorsneden.

Vincennes bevatte mede een hospitaal dat toen voor de depôts gebruikt werd , een ammunitie magazijn en stallen voor de kavallerie. Om den slottoren liep eene gracht en het was niet dan over eene ophaalbrug te naderen. Ik zag eenige Spaansche officieren , die hier krijgsgevangen waren , met verrekijkers op het plat van dit gevaarte zich den tijd korten. Wat er niet gemist werd was eene kroeg , en de hospes had reden over zijne nieuwe klanten tevreden te zijn , al viel het hem moeijelijk hen des avonds van de flesch naar de stallen te doen verhuizen.

Hier ging het er woest naar toe , daar de Franschen zich van het weinige stroo meester gemaakt hadden. Eene hevige schermutseling was daar het 

- 17 -

gevolg van , in de duisternis kon men vriend van vreemde niet onderkennen en de klappen vielen zonder aanzien
des persoons , ook ik moest mijne regten doen gelden , alsoo men nu in den eenen dan in den anderen hoek van de stal doende was. Eindelijk kwam er stilte , hetzij door vermoeidheid of om dat het stroo in het gevecht verstrooid was , en ik legde mij op de keijen neder , met mijn valies tot hoofdkussen.

Wij waren zeer verheugd den volgenden ochtend het bevel te hooren van Vincennes te vertrekken , want geen onzer had gedacht in de eerste weken het doodsche verblijf te zullen verlaten. Onder geleide van den sous-adjudant Peeters , die later bij ons regiment geplaatst werd , trokken wij door weelderige korenvelden naar Montmartre , een op eene hoogte gelegen bouwvallig vlek , maar dat het schoonste gezigtspunt op Parijs aanbiedt. De vele indmolens , die hier in den omtrek , als op eene linie geschaard stonden , trokken de aandacht van ons Hollanders , daar wij deze in Frankrijk nog niet aangetroffen hadden.

Van hier kwamen wij te St. Denis en marcheerden dit vlek door tot de kaserne , die , op den doortogt naar Courbevoye , door haar trotsch aanzien , reeds onze aandacht getrokken had.

Op het plein, een langwerpig vierkant , alweder door een' steenen muur omgeven , werden wij door twee heeren in burgerkleeding van top tot teen opgenomen , bij welk onderzoek geen woord gesproken werd. Toen het geëindigd was , brak een der heeren het zwijgen af , en maakte ons bekend , dat hij de kolonel van het regiment was , dat wij vormen zouden. Hij prees

- 18 -

onze houding en beval ons ernstig aan onze militaire pligten getrouw te betrachten , alsdan zou ook hij voor onze belangen zorgen. " Ik heb reeds ," zoo vervolgde hij daarop , " om te bewijzen dat ik uw voordeel wil , uwe geheele kleeding aan dezen heer verkocht , opdat zij u niet door de zoetelaars voor een' spotprijs afgezet zoude worden. De penningen daar
voor te ontvangen zal ik bewaren , en , eenmaal op marsch zijnde , zult ge van tijd tot tijd uw aandeel daarvan genieten."

En ziedaar het raadsel opgelost: wij waren eensklaps van alle onze kleederen , tot het hemd toe , geen meester meer , zij waren verkocht , en dat alles tot ons voordeel! -- Wij , die het fransch verstonden , zagen elkander aan met een' blik die scheen te vragen hebben wij goed gehoord ? en juist die overeenstemminpleitte voor de goede opvatting. Wij deelden den overigen Hollanders mede hoe men over hunnen eigendom beschikt had. Eenstemmig was men van oordeel zich zoo spoedig mogelijk van de kleederen te ontdoen.  Toen onze kolonel zijnen welmeenenden raad gegeven had , konden wij de kaserne binnen gaan , die met twee zijvleugels naar den kant der Seine gebouwd was.
Eenige onderofficieren regelden daarop de slaapplaatsen.
Ik was zoo gelukkig van een' landgenoot tot kameraad te krijgen , maar was desniettemin niet wel te moede bij het vooruitzigt van de formaliteiten , waaraan de soldaat zich in de kaserne onderwerpen moet ; de eerste nacht maakte er mij reeds bekend mede. Niet kunnen de slapen hoorde ik de deur der zaal waar wij vernachtten stilletjes openen, en zag ik twee knevelbaarden binnen

- 19 -

komen , de een met eene kaars , de ander met een' rotting in de hand. Zij begonnen eene visitatie van kreb tot kreb , vooral wat onderbroeken en : borstrokken: aan belangde. De dragers daarvan moesten ze onverwijld afleggen , zoo als met ·mij het geval was. Bovendien werden wij gelast om met de borst ontbloot te slapen ; iets dat voortaan wet bleef.

In het holste van den nacht werd dit bezoek herhaald , en nu , zoo als zij voorgaven , om te zien of er onder ons ook waren door de schurft aangetast.

Allen kwamen er wel af , doch toen het mijne beurt was , ontdekten zij , eene der mouwen van mijn hemd  wegschuivende ,. eene ligte oplooping aan den arm. " Allons bougre , vous avez la gale ! " Staat op --- wij willen niet een' der vele vloeken vertalen die ze uitbraakten – "Staat op , gij hebt de schurft." Onder dit bedrijf was mijn' slaapkameraad eene oorveeg toebedeeld , die hem op eens deed oprijzen , met een gelaat dat schrik en verwondering tevens toonde. En geen wonder , hij wist nog niets van hetgeen om hem gebeurde , tot ik hem onder het aankleeden vertelde , dat hij dit te danken had , aan iemand , die de schurft had en bij wien hij was gaan slapen.

Ik moest , wat ik ook aanvoerde , de zaal uit , en werd in eene andere kamer gebragt. In dit stikdonkere vertrek nam ik plaats tegen eene kreb , want het verschrikkelijke gewoel en gewrijf van ettelijke personen , die ik hoorde en omtrent welke ik wel kon raden , waarom ze hier gebragt waren , hield mij terug om verder te gaan.
Toen ik echter mijn' tijd gunstig achtte , sloop ik dit vertrek weder uit en keerdenaar mijn oude slaapplaats terug.

- 20 -


Den volgenden morgen echter kwam de aap uit de
mouw , en ik bemerkte de dupe van een paar bedriegers geweest te zijn , die het op mijne in Antwerpen gekochte laarzen gemunt hadden. Bij de eerste visitatie hadden zij die waarschijnlijk reeds opgemerkt , en toen ik onder het gemelde voorwendsel verwijderd was , hadden de roofvogels ze mede gepakt.

Toen eenige dagen later , de generaal Kellermann revue over ons zou houden , maakte mijne bedreiging dat ik dezen de zaak zou openbaren , hen zoo gedwee , dat ik het genoegen had door een' korporaal mijne laarzen terug te zien brengen.


----ooOoo----



HOOFDSTUK III.

••


Leefwijze in de kasernc, Het 5de regiment der garde. J. de Neef. Hoe
wij den tijd moeten doorbrengen. spraakverwarring. Tot de dienst bekwaam. Naar Parijs om gekleed te worden. Teleurstelling van den kleêrenkoop, en wie er het beste aan toe was.

Zoo waren wij dan in den volsten zin des woords den soldaten stand ingetreden. In St. Denis vonden wij onze school , en ondervonden wij waaraan de leerlingen niet alleen , maar ook waaraan de meergevorderden zich moesten onderwerpen.

Des morgens vroeg sloeg de tamboer reveille , want ten 5 ure moest men uit de kreb zijn , alsdan de legerstede opgemaakt worden , dat ras gedaan was , daar de veêren van een el lang het werk bespoedigden. Ten halve gekleed ging het daarop naar buiten , om aan de put hoofd en borst overvloedig met water te besprengen ; dit scheen een gezondheids maatregel te zijn , en werd stiptelijk opgevolgd.

Den tweeden dag na onze aankomst vereenigde een algemeen appel ons op het plein , en als toen werd uit ons zamengesteld het 5de regiment grenadiers tirailleurs der keizerlijke garde , afgedeeld in 2 bataillons , acht compagniën uitmakende , te samen sterk 1300 man.

- 22 -

Ik met mijne kameraden G. Schone en C. van Riel , werd bij het 2de bataillon , 2de compagnie , Reck en Kamphuijzen bij het 1ste bat. 2de comp. , doch de Neef. die waarschijnlijk met het overdragen der rolle vergeslagen was nergens geplaatst. Een zonderlinge toestand voorwaar! Vijf of zes dagen zwierf hij rond , als besluiteloos wat hij aanvangen zou. Het gevoel zijner vrijheid deed hem wel eens droomen om op eens St Denis te verlaten en naar
Amsterdam op te stappen , maar de toestand zijner beurs , en onkunde met de taal des lands verstoorde onbarmhartig die droomen. Hij was dus eindelijk wel verpligt om zich selven aan te geven , want aan de
soepschotel , waaraan hij bij verschillende kaders als oogluikend was toegelaten , was hij ten laatsten zoo welkom als een vreemde hond in de pot , even zoo was hij een overtollige gast in de kreb , op niets had de man aanspraak , tot dat hij eindelijk in de gelederen van de 4de comp. 1 ste battaillon opgenomen werd.

Na het appel , deed de trom de gelederen weder uiteengaan , die met den stormmarsch naar de zalen vlogen en eenen geweldigen aanval op de soepschotels deden. Ieder onzer was op zijne beurt kok. De soep voor het ontbijt bestond uit aardappelen , wittebrood , vleesch en wortelen , en , hoe kokend ook opgedischt , in weinige oogenblikken was alles georberd. Tot 2 ure genoten wij alsdan rust , maar dan werd er weder appel geslagen , en wij tusschen eenige onderofficieren , van welke velen in de school des oorlogs grijs geworden waren , verdeeld om in den wapenhandel onderwezen te worden.

- 23-

Ten 4 ure kondigde de, trom het einde der les aan , en een gelijke aanval had weder op de soep plaats ; deze bestond nu echter in boonen en aardappels , waarin wat kommiesbrood gesneden was. Hierna hadden wij rust en vrijheid om in St. Denis of de omstreken te wandelen , tot dat de taptoe ons weder naar de kaserne en tot slapen riep.

Alzoo was onze tijdsverdeeling gedurende de 24 dagen te St. Denis doorgebragt. --- De exercitie echter viel moeijelijk , en het zou velen gemakkelijker geweest zijn , als het onderrigt voor ieder in zijne moedertaal had kunnen gegeven worden. Zeer dikwijls zag men nu , bijv. links in plaats van het gekommandeerde regts , en gaf dit verwarring niet minder deed het zulks toen wij wat meer gevorderd waren. Even zoo leverde het dagelijksche leven van Franschen , Hollanders, Duitschers en Italianen soms de wonderlijkste kontrasten op , en hoorde men wel eens een goed woord met schelden beantwoorden of zag het van vuistslagen volgen.

De belagchelijkste voorvallen hadden door deze Babelsche spraakverwarring plaats , en de verschillende zeden en gewoonten , die ieder uit zijn land aankleefden en men zoo schielijk niet afleggen kon , gaven tot de kluchtigste tooneelen , zoowel bij de exercitie als in de kaserne , aanleiding.

Toen wij de eerste oefeningen in de soldatenschool  doorloopen hadden en genoegzaam onderrigt waren , werden wij van geweren voorzien ; daar hiervan echter het vereischte getal te St. Denis niet voorhanden was , zoo moesten sommige compagniën die uit Parijs afhalen.

- 24 -

Wij waren nu , aan het moeijelijkste in de exercitie gekomen , en menige misslag was er het gevolg van ; maar het dagelijks en onophoudélijke drillen' deed ons welhaast alle hinderpalen te boven komen , en de uniform alleen ontbrak nog , om geheel den 'soldaat te vertoonen.

Het 1 ste bataillon werd weldra van de uniform voorzien , waarbij wij in onze lompen eene ongelukkige vertooning maakten. Maar ook onze beurt kwam. van alle mijne kleedingstukken had ik niets meer overig dan de linnen pantalon en een grof wambuis , dat mijn kameraad Schone voor een goed deel reeds onder de koeijen had afgesleten ; kousen droeg ik reeds niet meer. --- Anderen van ons bataillon zagen er niet beter uit. Een troep bedelaars kon geen droeviger en haveloozer aanzien hebben dan wij , toen wij naar Parijs trokken , en wat nog goeds aan het kleed was , werd op die reis bedorven.

Voor en in de nabijheid van de Tuilleriën hielden wij halt. Onze geleiders schenen in de nabuurschap eenige kennissen te hebben. Doch dit vertoef , waar de eene of andere herberg wel aanleiding toe gaf , verschafte ons de gelegenheid om op ons gemak den triumfboog te beschouwen , die de daden des Fransche legers vereeuwigen moest.

De beschrijving van dit prachtig gedenkteeken , hoe opmerkzaam ik het ook beschouwde , zou mij toen reeds moeijelijk gevallen zijn. Later las ik menige beschrijving van deze zuil , en de overeenstemming daarvan met wat mijn geheugen bewaarde , doet mij er mijne lezers naar verwijzen ; 't zou overbodig zijn hierin te vlechten wat elders te lezen staat , en aan 

--25--

dezen regel heb ik mij ook bij de beschrijving der bezochte steden gehouden. ' . .Van dit luisterrijk gedenkteeken van Frankrijks en des Keizers roem , trokken wij naar de Place de la Concorde , vroeger Place Vendôme , een regelmatig door schoone gebouwen omgeven plein. Ook , hier vonden wij eene zuil , waarop het beeld van Napoleon prijkte. Toen wij daar stonden en dachten aan dien man en zijne daden werd door de liedjeszangers op
schellen toon een nieuw wapenfeit van het dappere leger uitgegalmd. De slag bij Lutzen (2 Mei) waarvan geheel Parijs de mond vol had , scheen in de nabijheid der zuil wel het luidst te moeten verkondigd worden , die
het lievelingsplekje van zangers dezer soort scheen te zijn.
Wij hadden voor oog en oor alzoo niets dan den roem van dat leger , waartoe ook wij behoorden --- helaas!

Wij kwamen aan het magazijn van kleedingstukken , en vonden op het vierkante plein reeds eenige afdeelingen , die geheel of ten deele uitgerust waren.
Een geruime tijd bleven wij daar in gelederen staan ,tot dat eindelijk de kooper van onze burgerkleedere
kwam opdagen en inspectie nam van hetgene , dat door den verkoop van onzen kolonel zijn eigendom geworden was. Een enkele blik overtuigde hem alras hoe erbarmelijk het na zijn vertrek uit St. Denis daarmede gegaan was , en hij riep een' sergeant tot zich om de het slechtst er uitziende onder ons te noteren. Dat ook ik op die lijst voorkwam vérwon-
derde mij niet. --- Wij bekommerden er ons echter weinig over , evenmin als over de straf , die het ons mogelijk op den hals zou halen. Er gebeurde echter 

26 - 

niets , en wij waren nog het best er aan toe , daar zij , die hun goed behouden , hadden , er nooit eenige vergoeding voor ontvingen. Zoo goed meende het de kolonel met zijn aanbod ; hij was ook te vriendelijk daarmede geweest , dan dat wij hem,moeite zouden'hebben , willen geven voor zijne zorgen.

De uniform welke ons nu uitgereikt werd bestond in een' blaauw lakenschen rok met roode opslagen , welks omgeslagen kleppen van achter met een witten arend opgelegd waren , wit vest en dito pantalon , chacot met koperen stormbanden en roode pompon en een zwart overtreksel , benevens zwarte slobkousen. De kleine tenue bestond in een' kapotjas en grijs laken , ruw linnen pantalon , dito slobkousen met beenen knoopen , een muts , twee hemden , twee paar schoenen en eenige voor den soldaat 'noodzakelijke kleinigheden ; bovendien ontvingen wij een' ransel en eene patroontasch. Het keizerlijk wapen sierde niet alleen de knoopen der kleederen tot die der slob-
kousen toe , maar de vergulde adelaar schitterde in al zijnen luister van chakot en patroontasch.

Zoo keerden wij naar St, Denis terug. ---'

--oo0oo-


HOOFDSTUK IV.
••



Revue voor den generaal Kellermann. Onaangename teleurstelling.
Zwe
mmen en baden. Eene begrafenis te St. Denls.
Eeu zondag in Parijs. Vertrek. uit St. Denis.


De generaal Kellermann , een man grijs geworden in den dienst , zou op zekeren dag revue over ons regiment houden. In den vroegen mergen stonden wij reeds in gelederen geschaard. Menig onzer moest zich echter uit de rijen verwijderen , eer de generaal aankwam , maar zij door het lange en bepaalde staan duizelig werden. Soortgelijke gevallen zag ik later meermalen, vooral wanneer eerst een zware marsch was afgelegd. En ofschoon ik nooit het gelid heb moeten verlaten , is het mij echter dikwerf moeijelijker gevallen dan het marcheren zelve , om in eene brandende zonnehitte met volle wapenrusting eenige uren op dezelfde plek te moeten blijven stand houden.
De revue , leverde buiten eenige manoeuvres , waarin wij natuurlijk
niet zeer bedreven waren , niets der opmerking waardig op. Alleen lokte zij verschillende geruchten uit , en, er werd met geestdrift van opmarcheren gesproken men ging zelfs zoover van de plaats onzer bestemming te noemen. Maar daar de één Oostenrijk , een tweede de Rhijn en een derde Holland 

- 28 -

noemde als onze bestemming , zoo scheen het onbestemde niet voor de juistheid dier geruchten te pleiten , maar daar de waarschijnlijkheid er allezins voor was , zoo spoorde het mij aan om van de brieven van voorschrijving , die ik op Parijs had , hoe eerder hoe beter gebruik te maken.

Ik werd hierin echter verhinderd. Bij deze teleurstelling voegde zich nog eene andere het uitblijven van brieven uit Holland. Mijne kameraden verkeerden in hetzelfde geval en het denkbeeld kwam bij ons op , dat ze welligt te Courbevoye waren blijven liggen. Wij besloten dit te gaan onderzoeken , huurden eene fiacre en gingen in een verschrikkelijk weder op weg. Onze conducteur liet zich door het hevige onweder noch den zwaren regen afschrikken , en wij hadden in de kaserne onstuimig weêr genoeg om dit meer dan onze voerman te vreezen.

Te vergeefs echter hadden wij ons geld uitgegeven en het sluiptogtje gewaagd , want er waren geene brieven. Onverrigter zake moesten wij. dus terugkeeren , en dat wel spoedig daar het de beurt aan onze compagnie was , om in de Seine te baden of liever te zwemmen. Dit had gewoonlijk met eene compagnie te gelijk plaats , en deze oefening was niet alleen goed voor het ligchaam , maar eene dergelijke bekendheid met het water werd voor den soldaat  noodzakelijk gerekend , daar de oorlog hem soms in omstandigheden brengen kon , waarin de kunst van
zwemmen te pas kan komen. Wat mij betrof , ik komij niet meten met mijnen kamaraad Kamphuijzen , die een geoefend zwemmer was. Meer dan eens was

- 29 -

deze een goed eind stroom opgegaan en had door den snelvlietenden gang zich weder laten afzakken , terwijl ik mij nog op dezelfde plaats bevond als toen hij mij verliet , want telkens als het water mij tot de borst kwam , deed de kracht er van mij tuimelen en naar den grond zinken. De ligging van St. Denis nabij eene der krommingen van de Seine was anders bij uitstek voor deze oefening geschikt. 

Wij maakten ook dikwerf een uitstapje naar een der hij de stad gelegene logementen , waar dans en muzijk , bij de Franschen zoo geliefd , aan de orde waren. Tot het vrolijke dier natie draagt hunne leefwijze zeker veel bij. Voor weinig gelds kan men daar te land genot hebben. Even als in Braband het bier , is de wijn hier dagelijksche drank , en drie , vier flesschen van den jongen wijn schaden niet , --- ik begon er reeds mede bij het ontbijt , dat dikwijls uit
kalfsgehakt of salade met eijeren bcstond , en in de herberg op het plein der kaserne billijk en goed te bekomen Was.

St. Denis is een vlek , dat bij geringe uitgestrektheid weinig schoons oplevert ; de fraaije abdijkerk , de begraafplaats der fransche Koningen , is wel de eenige merkwaardigheid. Toen ik dit trotsche gebouw bezigtigde , was men druk bezig het inwendige te herstellen , Zoo dat het er een verwarde boel was , en ik bij gevolg er weinig over oordeelen kon. De openbare begraafplaats is zeer bezienswaardig , door de fraaije grafnaalden , die ik , op dezen door eenen muur omringd en van treurwilgen omgeven plek , menigvuldiaantrof. Eens dat ik de hoofdstraat , die nog niet 

- 30 -


eens regelmatig het vlek doorsnijdt , langs ging , werd mijne aandacht getrokken door een lijk dat voor een der huizen op schragen geplaatst was ; het was met een zwartkleed overdekt , waarboven een. Christus beeldje prijkte. Een aantal waskaarsen stonden aan het boveneinde , en het wijwatersbakje daarnevens schonk den voorbijgangers 'gelegenheid het lijk te besprengen. Velen dezer knielden er neder en baden.
Ik bleef staan , en zag eindelijk een' priester vergezeld van eenige koorknapen , die allen standaarden met kerkelijke zinnebeelden versierd droegen , het huis uitkomen en in statigen optogt voortgaan. Eenige mannen namen toen de baar op , en door de familie des overledenen gevolgd droegen zij het lijk grafwaarts.
Ik volgde den stoet tot in de kerk. Hier werd het lijk weder nedergezet en de naastbestaanden knielden er om heen. Statige toonen ruischten uit het koor en klonken door het eerbiedwekkend gebouw. Toen de toonen zwegen , werd de dienst door den priester voor het altaar verrigt , van tijd tot tijd door treurzangen afgewisseld. ---

Gaarne had ik hier nog langer vertoefd , en het lijk verder naar de algemeene begraafplaats vergezeld , maar ik moest gaan , daar het tijd voor de 'exercitie was. Tot mijn leedwezen heb ik niet kunnen ontdekken wie de overledene was ; uit de wijze van begraving , die ik in Frankrijk nergens zoo als hier beschreven opmerkte , vermoed ik dat het iemand van aanzienlijke geboorte of een deze onderscheiding waardig gekeurd persoon was.

Alvorens wij St. Denis verlieten , deden wij nog 

- 31 -

een uitstapje naar Parijs. Den 23sten Mei , zondag , was 'des morgens vroeg , het geheele regiment reeds onder de wapenen en het stond' ten half zeven Ure reeds in de straten, der hoofdstad gerangschikt , om de passage vrij te houden voor de Keiserin , op haren weg naar de kerk Notre Dame.

Heel Parijs scheen, dien ochtend op de been , en al wat militair was , was onder de wapenen zelfs waren gewapende spuitgasten behulpzaam om de orde te handhaven , en evenwel hadden wij soms moeite genoeg om den aandrang der verbazende menigte te keeren. Het was waarlijk om zijn geduld te verliezen ; want uren stonden wij in de straten , en menigmaal was het geweer opgerukt en weder afgezet , eer het den keizerlijken stoet behaagde te komen.

Eindelijk , ten 2 uren des namiddags , kwam de trein aan. Een eskadron lanciers reed vooruit en werd door twintig koetsen gevolgd ; in het zestiende was de Keizerin met de hertogin de Montebello gezeten.
Acht fiere paarden , ligt bruin van kleur en buitengewoon groot meer vreemd dan sierlijk getoonen door Napoleon uit Egypte medegebragt , waren voor het rijtuig gespannen , dat boven al de andere , die door zes paarden getrokken werden , in kostbaarheid uitmuntte , en als door pages omringd was , uit wier midden het ware Bachus gelaat van den dikken koetsier glansrijk te voorschijn kwam.

In den laten namiddag , toen de stoet teruggekeerd was , werd het regiment weder vereenigd , maar de chef stelde ons geduld andermaal op eene zware proef , want tot den avond moesten wij in de gelederen stand

- 32 -

houden. Waar of dit toeven nuttig voor was , weet ik niet , daar toch de meeste der officieren in Parijs achterbleven. Maar er zullen zeker vele afscheids  visiten gemaakt , vele groeten door hen gewisseld zijn in dien avond , en voorzeker bij velen zal het een laatst vaarwel geweest zijn , want den volgenden dag zouden wij opmarcheren , en wel naar Maintz aan den Rhijn.

Parijs , het wereldberoemde Parijs bleef dus voor mij als onbekend. Al wat ik er van gezien heb , was even oppervlakkig als vlugtig , en de zondag er bijkans geheel in doorgebragt , had mij geen ander genot geschonken dan het zien van eenen keizerlijken optogt en , bij vermoeidheid , eene beslijkte pantalon , het gevaar dat onze voeten liepen in de smalle straat , waar wij stonden , door de paarden der lanciers en der koetsen , niet meegerekend.

In de kaserne teruggekomen , werd mij de wacht aan de barrière opgedragen. Liever had ik de mij noodige rust genoten , maar de soldaat moet gehoorzamen. Ik verloor dien nacht alzoo wel eenige oogenblikken slaap , maar ik had dit boven mijne  kameraden vooruit dat mijn ransel reeds gepakt was , toen de reveille geslagen werd.

Het was toen voor mij , die niets meer te doen had , een kluchtig schouwspel om te zien , hoe allen verward door elkander vlogen ; deze had nog iets vergeten te pakken , gene eene' afscheidskus te geven ; want heeft de soldaat drie of vier weken in eene plaats gelegen , zeker is het dat hij er kennissen in overvloed opgedaan heeft.

- 33-

Eindelijk kwam de transportwagen, en op dit voertuig , waarop met groote letters Garde Imperiale 5ième
giment geschilderd was , werd de noodige voorraad geladen. Ieder , die niet tot het regiment behoorde , moest toen het plein verlaten , en er was menig inwoner van St. Denis , goedgunstig leverancier of vriend , die het noode deed , menig lief kind , dat meer dan  tienmaal omzag , eer zij het bevel gehoorzaamde. Toen werd ons allen een afscheidsdronk uitgereikt. De Keizerin namelijk had , voor de dienst te Parijs , het regiment eene goede hoeveelheid wijns geschonken.

Voorheen zou mij dit edele vocht , op den vroegen ochtend , niet zoo welkom geweest zijn dan thans. Welgemoed en onder het gejuich van “ Vive l' Empereur !" maakten wij regts uit de flank en verlieten St. Denis , na er 26 dagen doorgebragt te hebben.

--oo0oo-


HOOFDSTUK V.
••

Kwartier te Meaux. Ontmoeting van van een Hollandsch meisje. Aangename
route door Champagne. Onrust over een verloren ransel. Inspectie.
Muzijk. Vermoeijende marschen. Wat het in heeft gedetacheerd te
worden. Zi
eken

Wij trokken het uitgestrekte bosch van Bondy voor een gedeelte door en hielden in het kleine vlek Glaye halt , van waar wij , na een uur rust , op Meaux marcheerden. Laat in den avond kwamen wij in de hoofdstad van het epartement Seine en Marne aan , en hielden op een der marktpleinen halt. Ik kreeg een billet voor twee personen. Daar ik met kameraad Schone eens vooral de afspraak gemaakt had , om , als het slechts mogelijk was, ieder' vreemden als bedgenoot te vermijden , daar het zedeloos gedrag van eenige Franschen onder ons zulk een maatregel regtvaardigde , voegden wij ons bij elkander en zochten welgemoed ons kwartier op.

Wij mogten van geluk spreken dit spoedig te vinden. Veelal gebeurt het tegendeel, en menigwerf kan men in de duisternis straat in straat uit dwalen , eer men zich teregt ziet gewezen. Meer dan eens ondervond ik dat , hetzij dat ik eene gevraagde onderrigting verkeerd begrepen had , of dat een fieltige jongen mij misleidde ; en hoe dit smaakt vooral wan-

- 35 -

neer men eenen marsch van elf, uren heeft afgelegd, zal ik wel niet behoeven te zeggen.Wij werden door onzen gastheer met vele compli menten ontvangen , maar –- dit was ook alles. -- De man was ook tot niets meer verpligt , hoe gaarne wij ook gezien zouden hebben , dat hij ons een hartig maal voorgezet had. Ik heb het reeds gezegd : licht
en vuur , zout en zuur is het eenige dat een militair eischen kan. In Duitschland echter kende de Fransche wet ons andere regten toe , daar moest men ons fiks opdisschen , doch dit was in een overheerd land , en het is goed riemen snijden uit eens ander mans leer. Dat Napoleon hierin den bekwaamsten meester overtrof , behoef ik wel niet te betoogen.

Moede en afgetobt als wij waren , en , hoe hongerig, toch geen lust gevoelende , om zelf wat gereed te maken , namen wij een kort besluit , smeten ransel en geweer in een hoek ter neder en gingen eene gaarkeuken opzoeken , die ook weldra gevonden was.  Hier vonden wij eene menigte onzer wapenbroeders en - ook een Hollandsch meisje. Deze schoone , die hier dienstbode scheen , had werk in overvloed , daar wij Hollanders uitsluitend door haar bediend wilden zijn. Menige dronk werd haar gewijd , die even verheugd als wij was landslieden aan te treffen.

Alvorens wij den volgenden morgen Meaux verlieten , kortte ik , op raad van mijnen korporaal , een oud gediende , de riemen van mijn' ransel op , waardoor de schouders meer dan den rug hadden te lijden ; iets dat oppervlakkig zeer onbeduidend mag schijnen , maar mij veel gemak gaf op mijne volgende marschen.

36 -

'Des namiddags kwamen wij aan het stadje La Ferté sous Jouarre of Auciel. Ik zag er weinig van , daar ik mij onpasselijk gevoelde en terstond 'een logement opzocht en te bed' ging. Ofschoon des anderen daags niet volkomen hersteld , volgde ik toch het regiment op den marsch naar Chateau Thierry. Deze route , langs de rivier de Marne , was zeer afwisselend , daar de kronkelende loop des strooms ons nu en dan van den weg deed afwijken en dieper door het gebergte gaan , langs hoogten met wijnranken als bedekt , hier en daar met heerlijke bouwgronden' aan
den voet of de helling dier heuvelen , prijkende met de verschillende kleurschakeringen der lieflijke graan-
bloesems. Zoo verschafte menige bergtop , die wij overtrokken , bij een heerlijk vergezigt , ons een waar natuurgenot. Champagne is een schoon land en geeft heerlijke wijnen. Menige verkwikking hadden wij langs die route hieraan te danken , daar in vele der bergen wijnkelders aangelegd waren , en deze werden , als het groote rust was , soms bestormd. Hoe dikwerf heb ik aan dien marsch gedacht , als later de champagne in de glazen bruischte ! Levendig stond het mij dan voor den geest , hoe welkom bij de hitte , die wij te lijden hadden , een dronk was om de drooge keel te laven. En heeft de champagne menigeen eene poets gespeeld , hij deed het ook mij op den marsch,
en de Gasconjer , mijn voorman , ondervond het hoe onregelmatig mijn pas was , en hoe onwellevend ik hem soms op de hielen trapte , waardoor hij meer dan eens een half voet van den grond sprong en verkeerd front maakte. Maar het was slechts leer 'om

- 37 -

leer ; wat van mij het ongewone was , moest ik van hem dikwerf ondervinden , als wij links uit de flank marcheerden.

Wij bereikten Chateau Thierry over eene schoone , op onderscheidene bogen rustende brug , en hielden op de markt stil. Onze billetten waren nog niet gereed , daarom koppelden wij de geweren , en onder de velen die de gelederen verlieten , was ook ik. Dit sluipreisje naar eene der herbergen kwam mij duur te staan , want terugkeerende zocht ik te vergeefs mijnen ransel bij den transportwagen , waaraan ik hem gehangen had. Al mijn zoeken was vruchteloos , zoo dat ik mijn kwartier opzocht. Mijne kameraden waren reeds druk bezig met poetsen , daar er den volgenden dag inspectie gehouden zou worden. Deze omstandigheid was niet zeer geschikt , om mijne onrust over den verloren ransel te stillen. Ik lag de wapens af , en twee kameraden boden zich aan om met mij naar het verlorene te zoeken. Laat in den avond keerden wij weder , zonder iets gevonden te hebben.

Den volgenden ochtend was ik vroeg het bed uit ; de straf , die ik tegemoet zag , benam mij den slaap. Op eens viel mij in naar de hoofdwacht te gaan , in de hoop of het vermiste daar ook mogt wezen. En zoo was het. Maar van het eene onheil was ik in het andere gekomen , want de ransel openende , vond ik wel een rok , maar niet den mijnen. De een of andere tamboer had zeker die ruiling bewerkstelligd. Was ik straks al ter sluik gegaan , er zat ook nu weder niet. anders op , en om mij zelven te redden , moest ik trachten den ransel voor een anderen te verwisselen. 

- 38-

Gelukkig bragt ik dit ten uitvoer en de nieuwe ransel kon mij slechter gepast hebben. De hulp mijner kameraden
deed mij nog ten behoorlijken tijde gereed komen , en 
ik was zeer dankbaar op deze wijze de straf ontkomen te zijn , die mij zeer zeker te beurt zou gevallen zijn.

Deze dag was een rustdag. Die zich echter verbeeldt , dat die dag voor den soldaat werkelijk rust in het veld geeft , bedriegt zich. Zoo als nu was er weder inspectie , en als er den vorigen avond niets is afgedaan , dan is men 's morgens al vroeg in de weer met het witten van den, bandelier , het glansen van patroontasch en chacot , wapens en knoopen glad poetsen enz. Als men dien ijver gezien had zou men zich verbeelden , dat er eenige francs mede te
ver
dienen geweest waren , en het was toch niets anders dan wedijveren , wie het eerst gereed zou zijn.

Wij hadden hier onze eerste inspectie op den weg naar Maintz. Des morgens ten 9 ure trokken wij de stad uit , naar een nabij gelegen bosch , alwaar bij onze aankomst een uitmuntend krijgsmuzijk zich hooren liet. Bij la Ferté namelijk had een muzijkkorps , dat mede naar den Rhijn moest , zich bij ons gevoegd. Onze kolonel , die de muzijk beminde , liet dikwijls de bekwame musijkanten spelen , als hij aan tafel zat , en voorzeker zal het hem menige frank gekost hebben , even als wanneer zij de wapenschouwing opluisterden , waartoe zij anders niet verpligt waren.
Waar is het , dat toen dit corps ons verliet en wij de opwekkende toonen niet meer genoten , die kracht en leven schenen te geven , de inspectien zoo vervelend werden als zij vroeger genoegelijk waren.


- 39 -

In den laten namiddag was de inspectie eerst geeindigd en toen wij weer stadwaarts keerden , werd er door de musijkanten nog menig stuk ten beste , gegeven. Zonderling staken bij dit vermaak de visites af , die wij den chirurgijn-majoor en zijne aides zagen doen , bij eenige der onzen , die zich als ziek hadden aangegeven.

Wij verlieten Chateau Thierry den '28sten en trokken op Dormans , waar wij nachtverblijf hielden. Den volgenden dag volgden wij de Marne tot Chatillon , waar wij weder kwartier maakten. Hier lieten wij de rivier links liggen , alzoo zij tot Chalons eene aanmerkelijke bogt vormt , en marcheerden dieper landwaarts in , op de kleine steden Orbais en Vertus , van waar wij , na er den nacht doorgebragt te hebben , op Chalons trokken. Te Chalons , eene uitgebreide stad , verlieten wij den oever der Marne en marcheerden op Clermont en Argonne, waarover twee tappen gemaakt werden ; een nacht werden wij op de dorpen gedetacheerd.

Er was thans eene aanmerkelijke verandering in onze wijze van marcheren gekomen. Wij moesten nu , na het gewone rustuur , meestal op de helft van den tap , het overige gedeelte van den marsch , al manoeuvrerende , fleggen. Geene vlakte deed zich op , of het kommando van regts of links in bataille , of quarré te formeren , klonk door de gelederen. Had dit den kolonel genoegzaam voldaan , dan rukten wij in gesloten gelederen verder , altijd achter pas de route , zoodat , daar er geen pas aan de vleugels gemarqueerd werd , men duchtig zich reppen moest , om gelijke rigting te behouden.

- 40 -

De toestand van den soldaat , op dit gedeelte van den weg , was niet benijdenswaardig. De geweldige stofkolommen , waardoor de eene afdeeling soms de andere niet kon onderscheiden , en die over ons in de brandende zon heenstoven en de ademhaling belemmerden , deden ons dikwerf naar water snakken. Maar het was niet te bekomen , of als men al een beekje aantrof , dan was het in tijds door onderofficieren bezet , die de dorstigen met klingslagen terugdreven. Voor onze gezondheid moge die maatregel goed geweest zijn , hij was hard voor den afgematten , dorstigen soldaat.

De
kolonel had wel bevolen , dat ieder bij het begin van den marsch , een boomblad of eenen graan halm in den
mond moest nemen , ten einde de dorst zoo mogelijk te temperen , en het was een goede raad , maar wij verlangden meer. Met ongeduld werd er dan uitgezien naar de plaatsen , waar wij onze vermoeide leden konden uitstrekken ; maar hoe dikwerf zagen wij ons teleurgesteld , daar die reeds door andere compagniën bezet waren , en wij naar dorpen moesten , die of 2 uren verder lagen. Dit detacheren werd algemeen vervloekt en gaf dikwerf groot ongenoegen , maar het hielp niet gehoorzamen was het eerste artikel der wet. Schoorvoetende en heimelijk
morrend ,
ging het .dan weder voort. Hoopte men eindelijk rust te vinden , dan beval de onderofficier niet zelden om des avonds gewapend op 't appèl te verschijnen , terwijl de wapens en kleederen proper moesten zijn ; en was de exercitie afgeloopen , dan konden wij ons  op stroo nederliggen en krachten verzamelen voor den volgenden marsch, die soms ten 2 of 3 uur weder 

- 41-

aanving. Was het dorp waar men gedetacheerd was aan de volgende marschroute gelegen , dan was zulks voordeel ; maar dikwijls viel dit anders uit en men had soms 2 uren afgelegd , als de compagniën die bij den generalen staf gebilletteerd waren , nog in diepe rust lagen.

Deze maatregel , die diende om ons tot goede en geharde soldaten te maken , had echter ten gevolge , dat er van tijd tot tijd een achterbleef , ja sommigen onder de vermoeijenissen bezweken. Het was niet vreemd , wanneer eene compagnie op een dorp gebilletteerd was geweest , 4 of 5 wagens mede te zien vertrekken , en daar het bij elke compagnie zóó gesteld was , maakten die wagens , welke de boeren gehouden waren voor de kranken te leveren , eene gansche karavanc uit. Dit ging zoolang voort tot er eene stad bereikt was , waar de zieken in het lazareth opgenomen konden worden. Ik voor mij mag van geluk spreken , nimmer in dergelijke omstandigheid , op zulk een'
wagen getransporteerd te zijn geworden. Zij , die in Amsterdam de kalveren hebben zien vervoeren , zullen er zich het best een denkbeeld van kunnen maken , hoe het op zulk een voertuig gesteld was ; want even als die onnoozele beesten op en door elkander liggen , was het met de zieken , die van hunne chefs geene ondersteuning of mededoogen ondervonden.

 

 

--ooOoo--




HOOFDSTUK VI.

••

Gesprek in eene gaarkeuken. Een benomen hoop, bij schonen vooruitzigten.
Eene weigering die berouw geeft. Eene onrustige slaapkamer. Droevige
tijding uit Zaandam. Metz. Vrijwillige ruiters. Een aangenaam kwar
tier , en dat het echter niet was. Langereis. Hoe wij de zondag
vieren. Kermis te Kaiserslautern. Maintz Verdwaald , en hoe
o
nder dak gekomen. Het krediet waarin de soldatenrok stond,
tegen wil en dank bevestigd



Zoo ging de marsch voort die menigen zwakken be
zwijken deed , die de kracht der sterken oudermijnde. Van Clermont trokken wij op Verdun, in welks muren , terstond bij onze aankomst , een soldaat ter aarde besteld werd , die als offer der vermoeijenis bezweken was , op den wagen die hem vervoerde. In deze stad werd het gansche regiment gebilletteerd , en in plaats van exercitie werd er enkel inspectie van de geweren gehouden , dat spoedig afliep. Kameraad Schone en ik gingen toen de stad eens in , 'maar wij gaven het schielijk op , en vermoeidheid dwong ons een koffij
huis op te zoeken. Hier haalde ik eene landkaart voor den dag , die ik een oogenblik te voren gekocht had.

Onze sous-adjudant Peeters , die in een hoek der kamer zat , kwam daarop naar ons toe , en vcrzocht mij de kaart eens te mogen zien , daar hij op de zijne te vergeefs naar het plaatsje zocht , waarop de 

- 43-

de eerstkomende marsch gerigt was.. Dit bragt ons in gesprek , en toen hij 'ontdekte dat ik geen vreemdeling in de geographie was , vroeg hij mij of ik ook het fransch verstond daar er alsdan bij het regiment wel bevordering zou te maken zijn. Ik antwoordde op het eerste toestemmende ; maar op het laatste dat ik geene bevordering wenschte , daar dit mij grooter moeijelijkheid zou geven , om ontslagen te geraken , dan wanneer ik gemeen soldaat bleef. Ik vertelde hem tevens dat mijne ouders steeds eenen remplaçant onderhielden, om die , na verloop van een half jaar dienst , in mijne plaats te kunnen stellen. Wat gij daar aanvoert is gegrond en kan ik niet tegenspreken ; maar het remplaceren , waarvan gij spreekt , moet gij uit het hoofd stellen ; want waar zult gij over 4 maanden zijn , daar gij ,
na 8 weken dienst reeds hier zijt? Die afstand alleen levert reeds bezwaren op , en eenmaal bij een regiment geplaatst , gaat remplaceren niet zeer gemakkelijk , vooral tegenwoordig. In uwe plaats zijnde , dankte ik dien remplaçant af ; ieder dag is geld verloren. En wilt gij bevordering , ik beloof u te helpen."

Hoe welmeenend hij sprak en zijn voorstel ook was ik kon daartoe niet besluiten , en bedankte den sous-adjudant voor zijn vriendelijk aanbod. Later echter heeft mij die weigering dikwijls berouwd. Ik had mijn' toestand veel kunnen verbeteren en de bevordering zou niet moeijelijk geweest zijn , daar de meeste Franschen ja zelfs eenige der onderofficieren , lezen noch schrijven konden.

Wij keerden naar ons kwartier terug , doch maakten daar geene bijzondere haast mede , wijl hij onze aankomst

- 44 -

het armoedige van het huis ons reeds in het oog gevallen was. Wij verlangden echter. naar rust. De huisbaas ontstak eene kaars en ging ons voor , langs een' gebrekkigen trap , naar den zolder , en ook daar moest hij onzen geleider zijn over de losse plankjes , waarmede de vele gaten in de zoldering belegd waren. Wij strekten ons echter. op het armoedige leger uit , maar aan slapen viel niet veel te denken.

Wij hadden wel gezien, dat op den zolder een aantal hoenders , welligt de grootste rijkdom van den man , huisden , maar daarvan geene stoornis voor onze rust verwacht. En toch werden deze vreedzame dieren ons ware kwelgeesten , daar des nachts een heir van ratten eenen geweldigen aanval op de hoenders deed , zoodat de verschrikte dieren den zolder op en neder en over onze krebben heen vlogen. Toen dit spel in vollen gang was , wisten wij eerst niet wat er gebeurde , en sloegen met de handen over ons heen , hetwelk de benaauwde hoenders nog onrustiger maakte.

Eindelijk
bedaarde het rumoer ; het bleek ons echter den volgenden morgen , dat wij eenige der hoenders tot bed-
genooten gehad hadden , daar de eijeren op onze dekens lagen.

Van Verdun , eene versterkte stad aan de Maas , trokken wij twee marschen verder , telkens ons nachtkwartier op de dorpen houdende. Op een' dezer dagen ontving onze kameraad Reck eenen brief uit zijne woonplaats , den' noodlottigen afloop vermeldende van de gebeurtenis , waardoor zijn oom Jacob Reck en eenige anderen het leven door den kogel verloren (*). Zee
(*) Zie Honig , Geschiedenis der Zaanlanden, dl. 2 bl 335

- 45 -

trof hem deze tijding en wij allen werden daardoor somber gestemd.

Den 7den Junij hadden wij eenen moeijelijken marsch , in de bergachtige omstreken van Metz. In- Carrefour ,
een vlek op eenen bergtop gelegen , werden wij met eenige compagniën gebilletteerd , en hadden den volgenden dag rustdag , doch geene inspectie ; waarschijnlijk omdat ons regiment zoo verspreid lag. Ik besteedde den Pinksterdag dus met schrijven , doch daar wij geen verlof kregen om naar Metz te gaan , kon ik mijn' brief niet op den post doen.

Den 9den verlieten wij dezen bergketen , Vele schoone gezigten had hij opgeleverd , vooral op den laatsten
bergtop , dien wij overtrokken. Op eens lag Metz , als door eene tooverroede verrezen , voor onze verraste
blikken! Deze stad is eene der sterkste vestingen , beschermd door eene citadel en de stroomen Seille en
Moezel , die zich voor hare muren vereenigen.

In de vlakte voor de brug werden verscheidene afdeelingen Infanterie geoefend , en in de stad zelve wemelde het van militairen van allerlei corpsen , Wij troffen daaronder Hollanders aan , als ook vele vrijwillige ruiters , van welke eenigen ons regiment volgden , dat zonder oponthoud de stad doortrok en eerst daar buiten rust hield. Ik vernam hier dat de knecht , die in der tijd door de gensd'armes van den pelmolen des heeren van Bergen was opgeligt geworden zich mede hier bevond en tot deze ruiters behoorde , en het werd mij ook daardoor duidelijk , dat
niets meer dan de titel het genoemde corps van de overige corpsen onderscheidde.

- 46 -

Van Metz trokken wij op St. Avold ; daar ons bataillon , hier gedetacheerd moest worden , maakte ik van de halte gebruik om mijnen brief op het postkantoor te bezorgen.

Wij marcheerden verder op Homburg en hadden alzoo Frankrijk verlaten. Homburg is op een' berg gelegen , en toen wij den top bereikt hadden , die het middelpunt der stad uitmaakt , hadden wij een ruim gezigt over de daken der huizen , die langs de afhellingen gebouwd waren. De boerenwoningen in dezen omtrek waren zoowel van boven als van terzijde geheel met lei bedekt. ---- Op dezen marsch schonken de vele kersenboomgaarden langs de route
ons menige verkwikking. De kersen waren buitengewoon groot en zeer goedkoop te verkrijgen.

In Homburg had ik een zonderling kwartier. Het deftige van het huis , alsmede de bejaarde dame , die mij daar zoo beleefd ontving en in eene goed gemeubileerde kamer geleidde , die mij zoo vriendelijk een snaps brandewijn aanbood , en vroeg of ik ook iets eten zou , en er te over nog op volgen liet , dat het zoo aanstonds tijd van spijzen was : zie dat waren teekenen die een soldaat gelooven doen het hoogstelot getrokken te hebben.

Ik maakte mij den tijd , we nog voor den maaltijd verlopen moest , ten nutte en ging naar de rivier , die niet ver van mijn kwartier was , daar het huis in de benedenstad stond , om mijne slobkousen te wasschen. Hier vertoefde ik echter langer dan noodig was , daar de op- en afvarende schepen mij een tafereel te beschouwen gaven , in zoo langen tijd niet genoten , 

- 47 -

en dat mij menige herinnering uit het Vaderland en het oord mijner geboorte verlevendigde. Toen ik naar mijn kwartier terugkeerde , was ik niet weinig verwonderd , nu drie bevallige dames in de kamer aan te treffen. Ik hield ze voor dochters mijner gastvrouw , en werd in dat gevoelen versterkt , door dat ze met ons aan tafel plaats namen. De weltoebereide soep was mij als een voorproef van hetgeen volgen zou , en inderdaad , een diné als dat , waaraan ik mij dien middag vergasten mogt , was mij in lang niet te beurt gevallen.

Het gesprek aan tafel was oneindig kariger. De oude dame was de eenige die met mij sprak en het was een gansch verhoor dat ik ondergaan moest , ovcr mijn Vaderland en hoe ik in dienst was gekomen ; of ik nog ouders had enz. Het onderhoud ging bovendien niet vlug ; want men sprak niets dan Duitsch.  Of de jonge dames mij dus niet verstonden , of wel dat het haar te vernederend was , zich met een'gemeen soldaat te bemoeijen , de redenen waarom zij geen deel aan het diskoers namen , wist ik niet.

Op de exercitie hoorde ik tot mijne verwondering, dat mijn kwartier in geen eervollen naam stond. Ik protesteerde daar ten sterkste tegen , en ik moest dit. Wel , want de meisjes hadden zich aan mij op eene wijze vertoond , zoo als ik van de meest kiesche harer sekse verwachten moest. Even zedig en stil als zij om mij aan tafel gezeten hadden , verlieten zij , na den maaltijd , de kamer weder. "Stille waters hebben diepe gronden , en schijn bedriegt ," zegt het
spreekwoord. Zoo was het ook hier ; want toen ik 

- 48-

mij' des avonds te bed begeven had en ingesluimerd was , werd ik gewekt door een geweldig rumoer in het huis ; en het was een geloop en gedraaf alsof al de kamers vol mannen waren : Doch daar men mij met vrede liet , haalde ik de dekens over het hoofd en sliep als een prins. Het was mij nu niet raadselachtig meer , waar ik den nacht doorgebragt had.

Den volgenden morgen vond ik een goed ontbijt voor mij gereed en ik bedankte de oude dame , die mij uitgeleidde deed , hartelijk voor het hupsche onthaal. --- Voorzeker zullen weinige zoo zonder schade voor beurs of gezondheid een huis verlaten hebben , dat in zoodanige reuk stond.

Onze route liep over Saarbrück , en de marsch was even moeijelijk als die van de vorige dagen , daar dezelfde bergketen bijna onafgebroken voortduurde.-- Eindelijk hadden wij den laatsten top bereikt , en zagen Kaiserslautern voor ons liggen , aan de rivier , die door het dal stroomt en de stad haren naam geeft.

Bij onzen aankomst bleven wij een' geruimen tijd gerangeerd , daar de billetten nog niet gereed waren. Dit lange staan , na een en duchtigen marsch , deed mijn' kameraad Langereis op eens ter aarde storten. Toen men hem ophief , stroomde het bloed langs zijn kapot , want in den val was hij op zijn geweer neêrgekomen , en had zich aan het hoofd gewond.

Den volgenden dag , Zondag , was voor ons mede een rustdag doch , niet zoo als wij het bij ons te lande verstonden : want onze Overste , zeker grooter liefhebber vechten dan van bidden , hield over het gansche regiment inspectie. Wij troffen het in Kaiserslautern

-- 49 -

anders zoo kwaad niet ; het was daar kermis en het feest van een Heilige , die , ofschoon mij onbekend , toch de aanleidende oorzaak van een' aangenamen dag voor mij werd ----- De stad was door militairen en boeren en boerinnen uit den omtrek als vervuld. De liefhebbers van dans en spel hadden overvloedig gelegenheid om zich te vermaken , en het zou voorzeker den ganschen nacht voortgeduurd hebben , als de taptoe ons niet naar onze kwartieren geroepen had.

Van Kaiserslautern trokken wij op Altzey. Op dezen marsch werd ik door duizelingen gekweld , zoo zelfs dat ik hij de minste halt uit het gelid treden en mij nederzetten moest , als ik het voorbeeld van Langereis niet wilde volgen. Deze ongesteldheid bleef mij bij tot Maintz , alwaar wij over Wörstädt , den volgenden dag aankwamen.

Voor wij de stad binnenrukten moesten wij echter van kleeding verwisselen. In ons beste pak trokken wij daarop sectionsgewijze binnen. Deze gewoonte werd zelfs bij het inkomen der kleinste steden of plaatsen gevolgd , en niet zelden werd er dan menige stomp met de geweerkolf uitgedeeld , wanneer men, na met rotten afgebroken te zijn , niet spoedig genoeg weder opsloot.

Ik werd met 20 tirailleurs in één huis besteed.

Dit stond mij niet best aan ; want bij zulk een talrijk gezelschap moest schraalhans wel keukenmeester wezen. Ik ontdeed mij dus van mijne wapens en trad eene gaarkeuken binnen , waar ik Langereis reeds aan tafel vond , en na eens lustig gedampt te hebben , zochten wij onze kwartieren weder op.

- 50 -

Langereis , die in de nabijheid gebilletteerd was , geraakte spoedig onder dak ; maar ik zou den ganschen nacht wel hebben kunnen omdwalen , daar ik , in een afgelegen deel der stad gehuisvest zijnde , eene verkeerde straat was ingeloopen. Ik besloot dus , nu eenige vergeefsche pogingen om den weg te vinden , maar nachtverblijf in een logement te zoeken , doch daar de soldatenrok geen groot krediet had , werd mij tot driemalen een weigerend antwoord toegevoegd. Eindelijk , na aangetoond te hebben dat ik mijne vertering wel zou kunnen betalen , slaagde ik –-- maar het was er ook een logement naar. De bovenzaal waar men mij bragt was eene ware barak : er stonden slechts eenige krebben , Op menig bivouak lag ik het hoofd geruster neder dan op deze zaal. Bij vele anderen te vergelijken toch , mogt ik een groot kapitalist noemen , en in de nabijheid van zoovele vreemde mannen als hier bijeen waren , kwam mij waken beter dan slapen voor. Niettegenstaande dit en het rumoer van een aanhoudend komen en vertrekken , sluimerde ik toch eindelijk in , en zou zeker te laat op de inspectie gekomen zijn , als het geroffel der trommen mij niet van de kreb had doen opspringen. Ten halve gekleed en met de rest mijner kleederen over den arm spoedde ik mij naar beneden , en na tweemalen vergeefs om den waard geroepen te hebben , stapte ik het huis uit , in mijne drift vergetende op het uithangbord te letten.

Ik doorliep de eene straat na de andere , en was eindelijk zoo gelukkig om mijn kwartier te vinden. Terstond ging ik aan het poetsen der wapens. Mijne kameraden , reeds ongerust over mijn wegblijven , bo-

- 51 -

den mij de behulpzame hand , en ik bevond mij dus nog tijdig genoeg op het plein der bijeenkomst , dat naar
Napoleon genoemd was.

Eene opkomende regenbui deed de inspectie spoedig afloopen , maar des namiddags moesten wij ongewapend
weder op 't appel verschijnen , en naar een der magazijnen gaan om ons van patronen , vuursteen en krassers te laten voorzien. Zoo iets hadden wij niet verwacht. Immers waren er , voor wij in Maintz aankwamen , reeds geruchten van een' algemeenen vrede door onze gelederen verspreid , nu hadden eenige hier aangeslagene publicatiën die geruchten versterkt. Maar de uitrusting , die wij hier ontvingen scheen ons het ijdele der gekoesterde hoop te moeten doen inzien , en de aanleiding , dat wij er ons mede vleiden , zal wel in de in dezen tijd plaats grijpende schorsing der vijandelijkheden gelegen geweest zijn.

Des avonds , na dat wij onze brieven geschreven hadden , gingen wij de stad eens bezigtigen. Bij die gelegenheid zag ik naar het zoo overhaast verlaten logement rond , maar ik kon het niet vinden , en moest dus tegen wil en dank eene bijdrage leveren tot het miskrediet , waarin de soldatenrok algemeen bij de lozementhouders stond. Aan de schipbrug , op 52 ponten over den Rhijn liggende , bragten wij een geruimen tijd door. Schooner riviergezigt als hier zag ik nimmer en nog heden herinner ik mij met genoegen dien avondstond , aan den Rhijnoever doorgebragt.

-ooOoo--



HOOFDSTUK VII.


••

Van Maintz naar Frankfort. Aangenaam vooruitzigt, hoe moeijelijk te
ge
looven ook. Mislukte rnarode. Een excellent kwartier in de vrije
rijksstad, Wurzburg. Het verruilde geweer. Ontmoeting met de met den
vriendlijken kolonel. De les daaruit getrokken. Voorkeur aan het
verblijf op het Iand. Wat de boer niet te lijden heeft. Een
k
wartier in Bamberg , zoo als een soldaat er wcinige zal vinden.
H
et geweer wedergevonden. Filarski, Poging tot desertie.
Waarom sommige soldaten van pantalon verwisselden


Donderdag, 17 Junij , trokken wij de schipbrug over en marcheerden naar Frankfort aan den Main , waar wij volgens gerucht in garnizoen zouden blijven.

Hartelijk welkom was ons deze mare, want het onophoudelijk marcheren waren wij lang moede. Hoe stellig het gerucht echter was , ik voor , mij had moeite het te gelooven. Waarom moesten wij dan in Mainz rustdag houden en uitgerust worden ? --- Algemeen werd het echter geloofd en met opgewektheid ging de marsch aan , en ik zelf begon te twijfelen , daar wij halverweg de route bevel kregen ons in grandtenue te kleeden. Welgemoed werd dus de marsch weder aangevangen ; doch mij , die honger en dorst kwelden , schoot een ander plan te binnen. Ik stapte
uit mijne sectie wachtte de arrière-garde op. Hier vond ik kameraad de Neef , die een der wagens scheen te escorteren. Het was zijne gewoonte hier te ver

- 53 -

toeven, somtijds zelfs 'bekroop hem de lust om zich op een der wagens neder te zetten ; hetzij om het schoon gesigt , op het vooruittrekkende regiment te genieten , of om andere redenen. Hoe het zij , thans ging hij op zijn gemak naast den wagen , en hij was de man, dien ik hebben moest. Honger en dorst waren bij hem onafscheidbare gezellen ; zoodra had ik dus niet gesproken , om den een of anderen boer te bezoeken , of hij was gereed mij te vergezellen.

Wij
volgden hierin niets dan een gedurig herhaald voorbeeld het voornaamste dat er bij op te merken viel , was eene woning te vinden die nog geen bezoek gekregen had. Zoo eene meenden wij gevonden te hebben , maar zoo als wij de deur wilden openen , kwamen ons reeds eenige tirailleurs met kruiken bier tegen , en toen ook wij onzen aanval op het biervat wilden doen , sneed de komst van eenige onderofficieren ons den pas af. Onverrigter zake terug te keeren was hard , maar na het beloofde land gezien te hebben nog kolfstooten toe te krijgen , veel harder. Zoodra
wij dus de hoeve af waren , baande ik mij een weg door het gezaaide. De Neef , wien het effen en smalle pad beter scheen voor te komen , mogt daarmede zijne , voeten maar niet zijn rug sparen , want de onderofficier speelde er eene gezwinde tempo op , hetgeen hem menige kromme sprong deed maken. Ook hij bereikte gelukkig het regiment weder , maar de gelegenheid was voorbij , en hongerig en dorstig moesten wij Frankfort binnen marcheren.

In de vrije Rijksstad genoten wij een goed onthaal ieder roemde zijn kwartier. Onderscheidene Hol-

- 54 -

landers , die wij hier ontmoetten en welke in de bataille bij Lutzen op den 2den Mei geblesseerd geworden waren , gaven ons eene loffelijke getuigenis van de liefderijke verzorging , welke men hun hier bewezen had.

Ook ik had een uitmuntend kwartier. Terstond bij mijne aankomst deed mijn huisheer mij naar eene plaats geleiden , die mij , na het mislukte strooptogtjewel de liefste zijn moest --- naar de keuken ; de keuken , waar men juist met bakken , braden en stoven bezig was , zoodat de neus reeds te gast ging eer de mond nog iets geproefd had "Einde goed al  goed ! " dacht ik, en de kolfslag van den korporaal was met de eerste bete vergeten.

Van
Frankfort zag ik helaas ! weinig , want in den 
laten namiddag moesten wij ongewapend op 't appel verschijnen , werden toen van veldflesschen voorzien , en kregen bevel om den volgenden morgen vroegtijdig de stad te verlaten , waar wij dachten te zullen verblijven. --- Wij hadden echter de barrière niet achter den rug , of een expresse stoof ons voorbij naar den kolonel ; en 't was oogenblikkelijk regts om keert , en andermaal trokken wij Frankfort binnen , over de brug , welke over den Main ligt en de voorstad Saxenhausen van de eigentlijke stad scheidt. Door dezen contra-marsch zag ik , hoewel vlugtig , toch nog iets van deze schoone en ruim gebouwde stad. ---

Onze eerste route , die op Hanau aangelegd was , zou ons niet zoo veel schoons opgeleverd hebben , als die welke wij nu op Seligenstàdt hielden. Hier toch wisselde langs den weg het eene schoone landhuis het

- 55 -

andere af , en toen eindelijk eene heuvelachtige vlakte het hooge geboomte verving , nam iedere compagnie eene verschillende rigting, zoo dat ook wij , op een dorp, ingekwartierd werden.

Op de volgende marschen troffen wij buiten de kleine steden Miltenberg en Bischoffheim , geene belangrijke plaatsen aan , en hielden ons nachtkwartier op de Frankenlandsche dorpen , alvorens wij Wurzburg en den Main-oever weder bereikten.In deze tweede stad van Beijeren hielden wij rust dag , en in navolging van vele anderen kwam ik op de inspectie met een ransel , die met hooi opgevuld was. Ofschoon dit ontegenzeggelijk gemak gaf , was het echter de eerste en laatste maal dat ik zulks deed , daar ik besefte hoe slecht mij dit zou kunnen
bekomen , wanneer wij eens terstond opmarcheren moesten.

Wij hadden
des namiddags geene exercitie , en door
kruisten daarom de schoone en sierlijk gebouwde stad.
Wurzburg is de zetel van een bisschop , prijkt met eene prachtige domkerk en heeft een aanzienlijk paleis , met
een uitgestrekt basse-cour. Opmerkenswaardig was ook de brug over den Main , waarop mij bij het inkomen
de 12 standheelden , Heiligen voorstellende , reeds in het oog gevallen waren ; maar meer boeide mij het ge-
zigt dat men van deze brug op het slot of liever de vesting Mariënburg had.

Zeer voldaan over hetgene wij gezien hadden , zocht ik mijn kwartier weder op. --- Twee nachten bleven wij nog in Wurzburg. Eer wij de stad verlieten , voorzag ik mij van eene blikken veldflesch , daar de

- 56 -

te Frankfort ontvangene ongeschikt voor het doel was. Deze ruiling werd echter van eene andere opgevolgd , die tegen mijn wil en waarvan ik bijgevolg de lijdende persoon was. Toen ik bezig was eenige proviand in mijn ransel te pakken , had men mijn geweer voor een ander weten te verwisselen. Ik bemerkte het niet en trad in de gelederen , doch toen het geweer geschouderd werd , bespeurde ik, maar te laat , door de scheur die ik aan mijne mouw be-
kwam, hoe men mij beet genomen had met een geweer , dat bij het slot gespleten was. Terstond deed ik bij mijne Fransche naburen onderzoek , maar ik was er ter naauwernood meê begonnen of het " voorwaarts marsch!" verijdelde iedere poging.

Buiten
Wurzburg wachtte ik echter de arrière-gardo af ; want zooveel toch had ik al vernomen , dat zekere korporaal van het feit beticht werd. Na te vergeefs mijn geweer van den stout ontkennenden teruggevraagd te hebben, ging ik van toorn gloeijende en met gezwin
den pas naar het regiment terug. Eensklaps werd mij halt toegeroepen. Ik stond bij dat woord , zoo als een soldaat voor zijne meerderen staan moet , want ik had de stem van den kolonel herkend , die met den adjudant-majoor mij achter opkwam.

Ik moest
nu rekenschap geven van mijn achterblijven. Ik verhaalde het gebeurde , en hief ter bevestiging het geweer in de hoogte , maar gelijktijdig hief hij zijne karwats op , en terwijl hij mij hiermede dreigde , schold en vloekte hij op eene wijze , die geen matroos hem verbeteren kon , en dat was de inleiding tot de verklaring , dat ik niet alleen een slecht soldaat , maar 

- 57-

zelfs niet waardig was onder de vanen des Keizers te dienen!

En hoe zou het mij geweest zijn , als hij die verklaring door de daad had opgevolgd , en mij uit die hooggeprezene gelederen gestoten en naar huis had laten trekken? --- Gelukkig voor mij , gaf hij daarop zijn paard de sporen , en rende als een dolleman weg , want er waren hem eenige andere achterblijvers in het oog gevallen , die hier en daar uit eenige boerenwoningen terugkeerden. Hij streek er ook hier lustig over heen , zoodat de gelederen al spoedig weder voltallig waren.

Dit is slechts een klein staaltje uit velen , en men zal wel bevroeden hoe onze overste geprezen werd !

Het gebeurde was mij echter eene les , om nimmer , wat men mij ook ontvreemd mogt hebben , er rapport van te maken ; maar om , zoo als ik anderen zag doen , leer om leer te handelen.

Van Wurzburg tot Bamberg , waren wij des nachts op de dorpen gebilletteerd , en zoodanig verblijf was mij altijd meer tot genoegen dan dat in de steden , met haar gewoel en gedruis. Menige avondstond bij zonsondergang , in de vredige natuur van deze schoone streken , staat mij nog helder voor den geest. Op een heuveltop gezeten , met mijne landkaart voor mij , herdacht ik dan de marschen die ik gemaakt had , sedert ik het ouderlijk huis verliet , en welke opvolgende gebeurtenissen , in dat korte tijdsverloop , mijne ondervinding vergroot en zooveel van de wereld hadden doen zien , en wat zou nog het einde zijn ? --- Gewigtige vraag --- maar een soldaat moge om het verledene den-

- 58-

ken --- veel aan de toekomst te denken is hem in tijd van oorlog niet aan te raden , wil hij vrede hebben met het lot , dat hem als voortdrijft.

Ook de landlieden , in hunnen eenvoud , waren mij liever dan de stedelingen , en men had het doorgaans goed bij hen , hoewel zij ook dikwerf veel van den soldaat lijden moesten. Meer dan eens was ik daarvan getuige. Zoo herinner ik mij , hoe eens een onbezonnen franschman , die ontevreden was over hetgeen zijn boer hem opdischte , in zijne drift den  ouden man met de kolf van zijn geweer het hoofd zou hebben ingeslagen , zoo wij den razenden soldaat niet opgenomen en in een hoek der kamer geworpen hadden. Maar wat hielp het : de soldaat deed zijn
beklag en de boer werd wel verpligt , wat anders op te schaffen. Zoo was het in huis , hoeveel erger was het lot van die boeren niet , die geprest werden tot 
transport of wel tot gidsen moesten dienen !

Altijd  
bleef het loon weg , en had een gids eens bij ongeluk den weg gemist , dan was zijne ellende niet over te zien.

Bij Dettelbach trokken wij andermaal den Main over , en kwamen in den namiddag te Bamberg aan , waar ons bataillon kwartier zou houden.

 

Een der voornaamste huizen werd mij als mijn kwartier aangeduid , en ik verwachtte niets anders dan weder besteed te worden. Hoe aangenaam zag ik mij dus verrast , toen mij eene zijkamer werd aangewezen , als uitsluitend tot mijn verblijf bestemd , en schoorvoetende lag ik de wapens af , altijd nog vreezende dat er eene vergissing plaats had , en men

-- 59--

een officier verwachtte , voor wiens oppasser men mij welligt aanzag. Ik moest het echter wel gelooven , toen een bediende mij water bragt , en mij hielp om mijne kleederen te borstelen , dat, altijd mijn eerste werk was. Terwijl mij een glas morgendrank ,geschonken werd , dekte hij de tafel , waarop welhaast eene goede soep dampte , en alras meerdere geregten prijkten. Toen ik daar zoo nederzat , aan dien welbereiden disch , in dat rijke vertrek , mogt ik wel vragen of ik droomde , en de eene of andere toovergodin niet met mij haar spel speelde. Zulk een kwartier
toch valt anders aan een gemeen soldaat niet ten deel.

Des avonds hadden wij exercitie , en hier kreeg ik mijn geweer terug. Zekere Filarski , van Amsterdam die , als zoo vele onzer soldaten , kunstige grepen met het geweer maken kon , was ook thans daarmede bezig , en toen , bij het verdek maken , de onderste band tegen den volgenden aanschoof , herkende ik mijn geweer. Het alstoen nader beziende , werd ik er ten volle van overtuigd , dat het mijn wapen was , en een onderofficier noodzaakte hem mij mijn eigendom terug te geven.

Na verloop van vele jaren ontmoette ik dezen man van tijd tot tijd te Amsterdam. Hij had veel moeten doorstaan , en mogt nog van geluk spreken er het leven afgebragt te hebben. Bij Dresden had een kanonkogel hem het been weggenomen , en te Praahad hij eerst de amputatie ondergaan. Eindelijk uit Bohemen naar Oostenrijk  opgezonden , mogt hij, na lang en moeijelijk op zijn houten been rondgezworven te hebben , in de ouderlijke woning wederkeeren.

- 60 -

Van Bamberg zag ik weinig , daar , na de exercitie mij de lust tot eene wandeling ontzonk. En toch is de ligging zeer schoon en de stad zeer vermakelijk , zoodat men een spreekwoord heeft : “ indien Neurenberg mij toebehoorde , ik zou het te Bamberg verteren ;" ook wordt zijn omtrek soms klein Italië genoemd.

Van Bamberg trokken wij op Paunach. Nog dikwerf dacht ik op dezen marsch aan mijn' goeden Barnbergschen gastheer. Des avonds te voren had hij mijn ransel nog van eene goede portie gebraden rundvleesch doen voorzien , en mijne veldflesch zou ook zijne zorg niet ontgaan zijn , als het noodig geweest ware.Bij mijn vertrek had ik hem moeten beloven , dat wanneer ik eenmaal weder in de stad kwam , al was 't dat ik er slechts doortrok , ik niet verzuimen zou hem te bezoeken.

Dat ons afscheid regt hartelijk was , zal wel geene vermelding behoeven , evenmin als dat ik nog dikwerf aan de gastvrijheid dacht , die den armen zwerver in dat vreemde land zoo gulhartig geschonken werd.

In Paunack , eene kleine stad , was ik bij een korenmolenaar ingekwartierd. Wij hielden onze exercitie buiten de stad , in de nabijheid van een kloostergebouw , of liever bij twee daarvan overgebleven kerken ; de hooge spitsen dier kerken hadden reeds van verre onze aandacht getrokken. Christus , tusschen de twee moordenaars , prijkte hier levensgroot aan het kruis.

In datzelfde Paunach deed ik eene eerste poging om te deserteren , en het zou mij gelukt zijn , wanneer de vrouw des huizes slechts genoegen genomen had , 

–-61--

in het accoord , dat ik met haren knecht aangegaan had , met wien ik het reeds over den prijs van eenige kleedingstukken eens was. Daar zij voor de gevolgen vreesde , ging ik des avonds naar de stad , en bij alle
joden en kleedermakers rond , maar niemand scheen gemaakte goederen in voorraad te hebben , Mijn plan om des nachts naar Bamberg te vlugten , en vandaar naar Bohemen , werd daardoor geheel verijdeld.

Wij marcheerden van Paunach naar Lichtenfeld aan den Main en vandaar op Coburg aan den Itsch. Wij waren nog maar weinige oogenblikken hier geweest , of ik zag , dat de eene soldaat na den anderen zich eene blaauwe pantalon aanschafte , die met een rood biesje was opgelegd. Ik kon niet begrijpen wat dat beduidde , maar vernam alras dat een der officieren zulks bevolen had , dewijl men op Rusland af zou gaan. Die kunstgreep was niet slecht verzonnen , want ofschoon de Franschen dagelijks van een togt naar Moscou spraken , alsof het deur aan drempel was , zoo
hadden velen toch uit voorzorg hunne duitjes er voor zamengelegd , en zij konden dus , wanneer in de gevolgen bleek dat zij voor niets gespaard hadden , toch die pantalon in de dienst afdragen en alzoo hunne andere bewaren.
's Avonds hielden wij op het glacis in de vesting
Coburg exercitie , en hadden van hier een ruim gezigt op de stad van dien naam , de residentie van den Hertog.


--
ooOoo--


HOOPDSTUK VIII.


••

Vroegtijdige marschen. Plechtige ontvangst door de boeren bij Schleitz., Brigands .
Wat de
Franschen daaronder verstaan. Voorzorg, Zeitz. Onaangename aandoening.
Nog een staaltje van de bedaardheid van onzen kolonel. Sporen door den oorlog achtergelaten.
Een deserteur en het oordeel van de kolonel over de Hollandsche soldaten.
Dresden. Het beloofde land
--

••

 

Den volgenden morgen ten twee uren , hetgeen de gewone tijd van afmarsch was , verlieten wij Coburg en
trokken naar Cronach. Het was dus nog duister toen 
wij de lange voorstad doortogen , en de lustverblijven daar buiten voorbijgingen. Zulk een opmarsch in het vroege ochtenduur , slechts gestoord door den eentoonigen tred der marcherenden , en door de trom , die de aankomst der in de nabijheid gelegerd hebbende compagniën meldt , heeft niets bekoorlijks. Hoe de een dan nog half slapende naast den anderen voortdommelt , en het present bij : het appel schier het eenige woord is dat men hoort! Maar als de zon al hooger en hooger de kimmen begint te kleuren , is
't of ook het spraakvermogen zich in dezelfde. mate ontwikkelt ; en die ons des avonds de kwartieren zabetrekken , zou niet gezegd hebben dat wij dezelfde 
menschen van des morgens waren ; de stilte bij den uitgang scheen dan wel door het luide van den intogt vergoed te moeten worden.

- 63 -

Den 3den Julij zouden wij in een dorp nabij de stad Schleitz nachtverblijf houden. Bij onze aankomst stonden de boeren reeds, buiten hun dorp om ons te ontvangen ; eene bijzonderheid die ons nog niet was voorgekomen , en het was zeker iets aardigs , om te zien , hoe plegtig ieder boer de hem toebedeelde manschappen overnam en er mede naar zijne woning trok. Aan het hoofd van 12 tirailleurs stapte de onze zoo het dorp in , en bragt ons in zijne hoeve ,
waar wij de tafel gedekt vonden. Lang lieten wij ons niet noodigen , maar smeten ransel en geweer in een hoek en zetteden ons aan den disch. Zoodra was dit niet geschied of onze gastheer nam in het midden der tafel plaats , en dronk ons het welkom toe. Men bleef hem geen enkele toast schuldig , zoodat het er lustig toeging. Aan brood , boter en kaas was evenmin als aan sterken drank gebrek , en terwijl de vrouw des huizes met hare dochters den middagpot gereed maakten , dampten wij er lustig op los , van eenen tabak , waarvoor menigeen den neus zou op-
getrokken hebben.

Wij hadden een goed kwartier en onze gastheer verliet ons niet ; ook scheen de kolonel ons wat rust te gunnen. Wij hadden des avonds slechts eenvoudiappel en den anderen dag , Zondag , enkel inspectie over de geweren. Eene omstandigheid echter had er plaats , die vreemd bij dat alles afstak ; het bevel namelijk dat , wanneer wij ter rust gingen , wij het geweer en de patroontasch in den arm en de schoenen aan de voeten moesten houden. Ook werden de posten met scherp uitgezet , en dat alles om op zijne hoede

- 64 -

te zijn voor brigands , die reeds het 4de regiment dat ons twee -marschen vooruit , was , aangevallen hadden.

Toen wij het dorp verlieten , werden wij zoo
voor als achter ons door detachementen gedekt. De noodzakelijkheid hiervan bleek' ons , toen wij des morgens Schleitz doorgetrokken waren , en ons een sterk detachement infanterie en cavallerie tegen kwam , dat des nachts om het stadje gepatrouilleerd had.

Alles had daar een verdedigend aanzien , en het scheen ons toe dat die rooverbende wel zeer te vrezen moest zijn. Nu was ook het vriendelijk onthaal der boeren ons niet raadselachtig meer , daar zij door ons hun eigendom genoegzaam beschermd konden rekenen. En toch hoe dwaalden wij , en werden de landlieden in die dwaling versterkt ; want hetgeen de Franschen als roovers wilden doen voorkomen , als afgedwaalde militairen en deserteurs , wat waren het anders dan Pruissische vrijkorpsen , die het Fransche leger op zijnen marsch in Saxen verontrustten ? En mogt de naam brigand op hen niet toepasselijk zijn , de Fransche legerhoofden werden toch door hen gedwongen , die maatregelen te nemen , welke ik vermeldde.

Behoedzaam , op elken aanval voorbereid , vervolgden wij onzen weg ; maar noch op de vlakte , noch in de bosschen was iets verdacht te bespeuren , en rustig bragten wij ook den nacht op de dorpen door. Even ongestoord trokken wij verder op Zeitz ; het eenige dat ons op deze route ontmoette , waren ettelijke wagens met geblesseerden , die naar elders getransporteerd werden.

In Zeitz wemelde het van militairen. Wij zagen

- 65 -

hier vele gewonden , die vervoerd moesten worden ; alles liep en draafde hier door elkander en menige boerewagen , die voor transport dienen moest , versperde den toegang in de straten. Dit plaatsje , niet ver van Lutzen , had veel geleden van de doortrekkende corpsen , zoo wel als van de inkwartiering , en nog dagelijks moesten de ingezetenen menigen Franschman voeden , zooals ze voor korten tijd Russen en Pruissen gedaan hadden , toen het stadje in de handen der verbondene legers was.

Voor het tijd was tot de exercitie , schreef ik (6 Julij) aan mijne ouders. Die brief was echter niet bemoedigend , en hoe kon het anders bij al de treurige gevolgen die ik hier van den krijg gezien had , en die wel tot sombere gedachten moesten stemmen.

Des avonds werden wij op eene vlakte buiten de stad gedrild. Bij onze aankomst waren eenige afdeelingen infanterie , tot andere regimenten behoorende , reeds druk aan den gang , er was hier dus eene gansche krijgsmagt bijeen , en het eene corps wedijverde met het andere in het maneuvreren. De geestdrift werd hier zeer door opgewekt , en het moet voor den aanschouwer wel een aangenaam gezigt geweest zijn , die , als door een enkelen wenk bewogene massa's , in den heerlijken avondstond , evolutiën te zien maken. Ook wij hadden nog nooit zoo iets bijgewoond.

Den volgenden dag in den vroegen morgen , vóór het licht aanbrak , verlieten wij onze kwartieren , en hadden
wij niet dan met moeite in den donker de trappen kunnen afkomen en onze verblijven verlaten , het scheen

- 66 -

dat het met sommige officieren niet beter gegaan was want toen wij op de markt aankwamen , waren velen
hunner niet aanwezig. Zonder appel rukten wij de stad uit. Wij dachten wel , maar hadden niet veel lust om
elkander onze gedachten mede te deelen. Het kwam echter wel zoo uit als wij vermoedden , want een half uur
buiten de stad kommandeerde de kolonel halt en liet appel houden. Het gevolg was , dat de niemand verschonende bevelhebber fiks de kaart begon af te geven , over het te laat komen zoowel van officieren , als van soldaten.

Een' 1 ste luitenant der 3dc compagnie , die wat tegenkantte om ons te kommanderen , daar onze luitenant dien dag bij de arrière-garde geplaatst was ,eischte hij den degen af ; -- door de voorspraak van eenige ofticieren gelukte het , doch eerst na eenige dagen , hem weder in zijn rang hersteld te krijgen.

Ook ons , soldaten , kwam dit tegenstreven van den luitenant duur te staan ; want , om zijne gramschap nomeerder lucht te geven , liet de kolonel ons op eens in sectiën marcheren , hetgeen anders nooit plaats had , dan nadat de halve tap afgelegd was. Het detacheren op de dorpen maakte echter gelukkig aan de zaak een einde.

Den volgenden dag marcheerden wij op RochlitzHier vonden wij voor het eerst bewijzen , hoe verdelgend de krijg woedt ; want de zaailanden aan deze route waren bedorven , door den weg die de legers er over gemaakt hadden , en de achtergelaten sporen toonden hoe deerlijk de hoop van den landman er door vernield was.

Van Rochlitz, een stadje aan de Mulda , trokken  wij op Geringwalda. In de nabijheid van dit kleine stadje waren de droevige sporen nog zigtbaar, van de 

- 67 -

bloedige ontmoeting der Fransche voorhoede met de achterhoede der Geällieerden , onder Milarodowitz , op den 4den en 5den Mei. Van daar tot Dresden leverde elke dag ons dergelijke tooneelen op , en meer dan eens moesten wij den neus digt houden voor den verpestenden stank , dien de lijken van menschen en paarden verspreidden , die soms maar ten halve met aarde bedekt waren.

In Geringwalda nam mijn toenmalige slaapgezel , een Zuidhollander , afscheid van mij en stapte naar Bohemen uit , dat toen het toevlugtsoord van alle deserteurs was. Den volgenden ochtend nam ik , volgens belofte , zijn geweer en ransel mede naar de verzamelplaats , en smeet die op den hoop , die met mijne bijdrage reeds een zestal wapens telde , en het mij bewees , dat de afspraak , die eenigen onder ons gemaakt hadden getrouw volvoerd was.

De kolonel stond
bij de wapens toen ik die van mijnen kameraad er nevens smeet , en hij brulde en raasde als een onzinnig mensch , hetgeen met de vcrklaring eindigde : I! Ces Hollandais sont soldats de papier , de merde . . . ! " Die Hollanders zijn soldaten van papier , van s . . . . .!

Ik kon het een' man van zijnen rang niet kwalijk ncmen , dat hij zoo uitvoer ; maar wie onzer was er ook voor in den wieg gelegd om zich voor den dwingeland te laten doodschieten ...... ? Wanneer onze kolonel nog in het land der levenden was , toen de Hollanders bij Waterloo vochten , dan heeft hij het beste antwoord op zijne vernederende uitdrukkingen bekomcn , het zeide hem mede, wanneer de Hollander soldaat is, wanneer hij den dood niet schroomt.

- 68-

Van Geringwalda trokken wij op Waldheim aan de Zschopa , over welke rivier eene met eene galerij overdekte brug ligt. Van dit plaatsje , op eene hoogte liggende , trokken wij naar Nossen , waar de boeren in den omtrek ons nachtverblijf verschaffen moesten.

Den 10den Julij zouden wij onzen laatsten marsch doen , dan toch konden wij Dresden , de plaats onzer bestemming , bereiken. Vurig verlangden wij daar naar , en de wensch , dat wij eindelijk eens rust zouden vinden in eene stad , die menigeen als het beloofde land aanmerkte , was op ieders gelaat als uitgedrukt.

Gedurende den ganschen marsch hoorde men over niets anders spreken ; goede kwartieren , lekker eten en drinken was bij ieder de hoofdzaak ; want niemand twijfelde er aan of wij zouden bij de burgers ingekwartierd worden.

Op de helft van den marsch moesten wij van uniform verwisselen en hielden te Wildorf , op het kerkhof , halt. Onze officieren , die evenzeer als wij naar Dresden verlangden , waarvan echter nog geen torenspits zigtbaar was , gunden ons geene lange rust. Naauwelijks waren wij het dorp uitgekomen , of de kreet : Dresden ! Dresden !" ging van de voorhoede op , en galmde door de gelederen, –-- en het was zoo! De hoofdstad van Saxen lag eensklaps en naar gissing op een uur afstands in al haren luister , in een uitgestrekt dal door bergen als omringd , voor onze ver-
heugde blikken. Nog levendig kan ik mij het schoon panorama voorstellen , dat eene der hoogten ons op de
stad aanbood , langs welke de Elbe henen kronkelde.



–-ooOoo--


HOOFDSTUK IX.

••
Teleurstelling in het kamp. Revue. Nieuwe bezigheden. Verbijf in het. kamp.
Wa
t wij er ontberen en genieten kouden. Den Keizer gezien.
Dr
esden. Overhaast vertrek
••


Wij rukten Dresden binnen , sectionsgewijze. De hitte van den dag had ons afgemat , en verlangend luisterden wij naar het kommando dat ons ontslaan zou ; maar te vergeefs , het ging straat in straat uit , immer voorwaarts , de Augustusbrug over , de Neustad , met hare schoone esplanade over het Tolhuis , en de vestingwerken door , en het zelfde Dresden , het doel van Ons verlangen , had ons slechts een marsch en zelfs geen dronk waters opgeleverd.

Die teleurstelling was hard voor ons , die nu reeds zes weken achtereen van de eene stad naar de andere getrokken waren , en zoo gehoopt en verlangd hadden , eindelijk rust te zullen vinden. Morrende ging men voorwaarts ; de moed was geweken , en het was ons onverschillig waar wij nu henen gingen. Een kwartier uurs marcheerden wij voort , langs een met sparrenbomen bezetten weg , en sloegen toen regtsaf een bosch in , en wel met verdekt geweer , daar de boomen zeer digt nevens elkander stonden. - Eindelijk stootten wij op het 4de regiment tirailleurs , dat diep in het bosch gelegerd was , en hielden halt. Naauwelijks 

- 70 -

waren de rangels van den rug , of de hevige dorst deed hare regten gelden ; " Water ! Water ! " was de algemeene kreet , en de een rukte den ander de midon uit de hand , dat meer dan ééne vechtpartij ten gevolge had en de tusschenkomst der officieren noodzakelijk maakte. Hierdoor kwamen de midons weder in handen dergenen , wien zij dien dag toebehoorden , en die uit eene nabij gelegene beek het water hadden aangebragt , dat van nu af geregeld werd omgeschonken.

Toen werd er appel geslagen om te fourageren. Ook ik werd tot mijn leedwezen daartoe gedetacheerd , en moest terstond weder naar Dresden trekken. Geen onzer was in deze stad bekend ; wij moesten alzoo menige straat doorkruisen eer wij teregt kwamen.

Vermoeid en afgemat , doornat door den opgekomen regen , keerden wij eindelijk met gevulde broodzakken , en een aantal bijlen naar het bosch terug , waar men onze terugkomst niet had afgewacht , want wij vonden reeds vele sparren door sabelhouwen geveld.


De medegebragte werktuigen echter deden met krachtiger middelen nu honderden handen zich te werk stellen , en welhaast lagen er eenige der zwaarste boomen geveld , die door anderen in stukken gehouwen , tot stapels van eene manslengte zamengevoegd werden , in het midden met dunne takken gevuld. Één vonk was er maar noodig , en alsdan stegen dikke rookwolken boven de hooge boomen uit , en de breed opgaande vlam van het telkens ge-
voedde vuur , verschafte ons genoegzaam licht om de tenten op te slaan. Den ganschen nacht waren wij
troepsgewijze met dezen arbeid bezig. En het moest

- 71 -

hoe eer hoe beter gedaan zijn , daar er den volgenden dag (Zondag) eene revue plaats zou hebben , en daarvoor nog vele toebereidselen te maken waren.

Weinig rust was er dus genoten , toen wij , bij tijds onder de wapens gekomen , opmarcheerden onder aanhoudenden regen en Dresden doortrokken , naar de bijgelegen vlakte Ostragehage , waar wij doornat aan-
kwamen.

Voor niets hadden wij dus gepoetst en gewit en ons den slaap ontzegd : de militaire glans was den op de vlakte verzamelde troepen , wel 12,000 man tellende, ontnomen. Een geruimen tijd stonden wij daar geschaard , eer de generale staf aankwam. Voor welke aanzienlijke personen wij toen hebben gedefileerd is mij onbekend gebleven.

Tegen den middag keerden wij naar onze legerplaats terug. In plaats van ons gemak te mogen nemen , ontvingen wij bevel met het kappen en omhouwen der boomen voort te gaan. Dit gesehiedde thans echter niet meer in het wilde , maar volgens opgegeven regels. Ieder werd zijne plaats aangewezen, en troepsgewijze , onder opzigt van een onderofficier , gingen wij aan den arbeid.

De wijze waarop wij onze tenten bouwden , was even gemakkelijk als eenvoudig. De sparren werden schuins tegen elkander in den grond gestoken , en de toppen aan een dwars liggende stam vereenigd ; de opene ruimten aan de zijden werden met takken aangevuld. Om de tenten te dekken konden de sparretakken echter niet dienen , zoodat wij hiertoe langstammige en bladerrijke boompjes moesten bezigen

- 72 -

welke het bosch niet verschaffen kon maar die aan de beekjes groeiden. Ik was onder' degenen die belast werden ze aan te voeren , en menigen dag hadden mijne schouders : eene zware verantwoording , daar wij van over bergen en heuvelen onze vracht ter bestemde plaats brengen moesten ; maar was het werk zwaar , één genot verligtte het : de schoone streek door welke wij gingen , de heerlijke natuurtooneelen , die zich voor ons op den weg opdeden.

Daar vele handen ligt werk maken , waren onze tenten binnen weinige dagen gereed , en in twee liniên , op eenige voeten afstands van elkander aangelegd , met slagboomen er voor , waaraan onze patroontasschen hingen en de geweren geplaatst waren , zoodat wij met het 4de regiment , dat nevens ons kampeerde , eene gansche itgestrektheid besloegen. Achter de tenten waren de vuren , mede op eene linie aangelegd.

In onze legerplaats heerschte echter gebrek aan stroo om op te liggen ; van brandstoffen was overvloed. Dit laatste kwam ons zeer te pas daar eer de tenten geheel in orde waren , wij bijkans dag en nacht regen hadden. De nachten werden dus steeds om de bivouacvuren doorgebragt. Het was des morgens voor de vroeg ontwakenden al een zonderling schouwspel , op die smeulende of uitgebrande vuren te zien , waar naast de soldaat in de wonderlijkste houding te rusten lag ; de een met het hoofd op den ransel , de ander op een boomstam , terwijl een derde zich tot de keel in een fouragezak gewikkeld had. Het bergwater , dat den grond onder ons doorsijpelde,

- 73-

gaf aan de legerplaats groote onaangenaamheid. Nu eens moest men zich op den rug en dan weder op de regter- of linkerzijde keeren , wilde men niet geheel doornat worden. Dit en het ongewone leven te samen genomen , kwam velen op eene ziekte te staan , zoodat onze gelederen , die gedurende den marscdoor menig achterblijver gedund waren , thans menig man aan het hospitaal moesten afstaan.

Het gedurige vervoeren naar het hospitaal was een onaangenaam vooruitzigt , en ik , die op den marsch altijd mijn veldflesch spaarde , nam er nu elken avond eene groote teug uit. Hierdoor sliep ik tot des morgens 3 à 4 uren ; en opstaande liep ik hier en daar rond , om aan de verstijfde ledematen hunne buigzaamheid weder te geven.

Wij hadden overigens een goed en stil leven ; want de exercitiën die des morgens en 's avonds gehouden werden , waren wel waar te nemen. De menage, rijst en vleesch , was vrij goed. Het rundvee werd nabij de stad op een veld geslagt , en zoowel de hitte der zon , als het nedersmijten in het zand , der niet zeer regelmatig afgehouwen stukken , deed het er reeds als gebraden uitzien , eer het in het kamp kwam ; trof men eenen zindelijken kok , dan kon het er echter tamelijk door. De rijst kon men in overvloed krijgen. De marketentsters die aan de route , tot nabij de stad zich gevestigd hadden , verkochten voor weinige grosschen eene goede portie. Men behoefde dus geen gebrek te lijden , en hij die nog eenige franken in de beurs had en beter bediend wilde zijn , konde of bij de Vivandières of wel in eene.

- 74-

restauratie , die op eenigen afstand van het kamp opgeslagen was , teregt komen. ln deze restauratie werd het braadspit onafgebroken  gedraaid , en heerschte drukte en gewoel. Minnaars van wijn en dans konden hier hunne neiging botvieren. Mannen uit alle natiën dronken , zongen en speelden hier ondereen , zonder dat er eenige noemenswaardige twist plaats had. Het gezellig verkeer liet alzoo niets te wenschen over ; ieder zocht het
te
genw
oordige zoo genoegelijk door te brengen als mogelijk was ; over staatkunde of wat onze bestemming was werd niet gesproken. Wij verkeerden hieromtrent ook in eene volslagen onkunde en wisten niet of het oorlog of vrede was. Het was ons onbekend dat er een wapenstilstand gesloten was , en al mogten de geduchtwerken , die met verbazende kosten om en bij het in 1809 ontmantelde Dresden , aangelegd werden , en waartoe de landlieden , 12 mijlen uit den omtrek opgeroepen , uit de bosschen duizende boomstammen geveld en twee grachten gegraven hadden , die met water uit de Elbe gevuld waren , terwijl het riet van haren oever tot schanskorven gebezigd en menig door de bewoners verlaten huis een versterkten post geworden was , al eenig nadenken gegeven hebben de soldaat bekommerde er zich weinig om , werktuigelijk wezen als hij geworden was. Napoleon had zich dien
wapenstilstand ten nutte gemaakt ; Saxen was het land waarin hij uit alle deelen des rijks zijne troepen te
zamen trok , en zoo menige positie liet versterken ; de linie van de Elbe was tot het punt zijner operatiën bepaald. –-- In Saxen en in den omtrek van Dresden 

- 75 -

was dus een aanzienlijk leger verzameld , en Napoleon was nu op deze dan op gene plaats om revue over de
troepen te houden.

Het was op een van deze zijner togtjes , dat ik den Keizer zag. Ik stond op post aan de groote route. Wij dachten allen dat hij ons kamp een bezoek zou geven , maar hij sloeg met zijn escorte lanciers het tegenover liggende bosch in , waar andere regimenten gelegerd waren. Het werd mij dus niet vergund den Keizer die eer te bewijzen , waartoe ik mij als militair verpligt zou gezien hebben , wanneer hij mij gepasseerd was.

Het was den soldaat niet kwalijk te nemen , dat hij , zoo nabij Dresden zijnde , wel eens een sluiptogtje naar die stad maakte , al was 't maar , om de eentoonigheid van het kampement eens te verzetten , dat hij zulks deed. Voor mij , ik maakte er meer dan eens gebruik van ; want wat ik van Dresden. gezien had lokte mij uit. En toch wat ik zag , was slechts vlugtig , en mijne beschrijving zou na zoovele jaren bij latere berigten zeer moeten verschillen. Wat mij
er het eerst in het oog viel , was de Augustusbrug ; de schoonste van Duitschland. Zij rust op 17 bogen en is aan beide zijden van voetpaden , ijzeren leunin
gen en lantaarns voorzien , terwijl wachten het toezigt hielden , dat de voetgangers die naar de Neu- of Altstad moesten , de bepaalde wegen hielden , waardoor de passage zelden vertraging ondervond. Ik merkte aan deze brug de nog niet geheel herstelde schade op , die door den maarschalk Davoust er aan toegebragt was ; eene schade , die een opstand des volks niet voor-

76 -

komen kon. Hij liet een paar der bogen uithollen en met kruid vullen , en toen den 19den Maart de ligte ruiters van Winzingerode aan den anderen oever verschenen , stortte met een donderenden slag twee der bogen in.

Niet verre van deze brug , in de Neustadt , prijkt het kolossale standbeeld te paard van Augustus de 2de ; waarbij mij het metalen beeld van den ouden Frits , hetwelk ik in het volgende jaar te Berlijn zag , zeer nietig toescheen.

Wat zal een soldaat al meer zien dan wat de openbare straat of de kerken hem aanbieden ; zijn rok kan voor hem die inrigtingen niet openen , welker bezigtiging voor anderen zoo veelzijdig gcnot geeft.

De hoofdkerk , door zoo menig reiziger als een pronkjuweel beschreven , kon ik maar als ter loops bezoeken , daar ik aan de bank nog eenige franken vcrwisselen wilde. Gelukkig dat ik dit niet uitgesteld had , want om middernacht roffelden de trommen ons den tenten uit en ontvingen wij bevel tot opmarcheren , wanneer wij onze soep gegeten zouden hebben , Ik had daardoor handen vol werk , daar het mijne beurt was kok te zijn. Kameraad Schone volgde mij naar de naaste hoek , doch wij hadden veel moeite om het water in de midon te houden , die wij aan een' tak op de schouders droegen , dewijl de afgehouwen boomtronken , die op het pad lagen , ons bij de duisternis de eene
mispas na den anderen veroorzaakten. 

Lustig brandden reeds de vuren en na weinigoogenblikken borrelde de soep in de ketel. Doch toen ik vijtig aan het schuimen was , dat bij het 't licht van

77 -

het bivouac wel wat op goed geluk afging , sloeg de tambour andermaal den opmarsch en de stem van den onderofficier klonk ons niet aangenaam in de ooren : " Weg met de midons , het vleesch op de bajonetten !"
En daar stroomde het nat in het zand , in plaats van in de hongerige magen , en in het holste van den nacht trokken wij uit het kamp , onbewust waarheen. 

Geen enkele wien dezen opmarsch welgevallig was , te meer daar onze tenten nu van stroo voorzien waren en wij eens een regt goed leven in dit schoone oord dachten te leiden. --- Maar dat is het lot van den soldaat : als hij het goed heeft komt er spoedig een einde aan. ---

--ooOoo--


HOOFDSTUK X.

••

Togt over het Reuzengebergte. Königstein. Liliënstein. Beklimming vau
en een heerlijk panorama op dezen berg. Op nieuw gekampeerd.
Zware arbeid en veel leeds te zien. Diefstal tegen wil en dank. 
Avancement. Hoe het daarmede afliep. Exercitien. Op wacht.
Een gelukkig toeval. Wat men den soldaat vertelt.

••




Het zal den 24sten JuJij geweest zijn , dat wij het kamp bij Dresden verlieten. Het eerste stadje dat wij voor ons zagen was Pirna aan de Elbe. lk zal niet ligt den schoonen morgen vergeten , op welke wij Pirna aan de helling van het Reuzengebergte zagen liggen , met de kronkelende Elbe in het verschiet , wiens afloop wij duidelijk konden waarnemen. En al kostte het ons , de stad doorgetrokken , menigen zweetdroppel toen wij het Reuzengebergte , dat hier een begin neemt , beklauterden , ze werden vergoed door de betooverende gczigten op zoo menigen top , vanwaar wij de vlakten aan onze voeten overzagen , terwijl hier en daar op andere toppen , kasteelen en burgten zich verhieven. Schoon en trotsch was die natuur , door de afwisseling der hoogten en het diepe der dalen ;
maar die afwisseling , hoe behagelijk voor het oog , vermoeide toch en weldra haakten wij vurig naar de
plaats onzer bestemming. Gelukkig was er geen gebr
ek aan water. In de valeijen , waar goede weilanden

- 79 -

waren en veel schoon vee graasde , vonden wij hutten genoeg , wier bewoners gulhartig den afgematten soldaat met een teug verkwikten. Eindelijk zagen wij Königstein, en de Elbe weder , die gedurende den marsch achter de rotsen verborgen geweest was.  Aan den voet van het fort hielden wij halt , en ik kon mijne oogen naauwelijks vertrouwen  daar ik eene sterkte gebouwd zag op eene rots wiens loodregte , hoogte op 1800 voeten berekend werd.

Wilde men dus de reusachtige ligging opnemen het oog moest hemelwaarts gerigt worden. -- Als onneembaar kwam mij die sterkte voor , te meer daar de rots waarop zij ligt , aan de zijde der Elbe geheel afgehouwen is, ten einde eene beladdering te voorkomen. Van andere kanten is zij even ongenaakbaar , behalve langs een steil en smal pad , dat in de rotsen uitgehouwen is.


Krijgs- en mondbehoeften , materialen en geschut 
moeten met windassen naar boven geheschen worden.

Wij hielden te Königstein, een onregelmatig aan de heuvelachtige oevers der Elbe gebouwd stadje , eene wijle rust , en daar het ons niet toegestaan was de stad binnen te gaan , zoo was het gelukkig dat de omtrek kersen in overvloed opleverde.

Wij trokken langs eene schipbrug de Elbe over ; ofschoon anders de overtogt met schuiten en ponten geschiedt , hadden de Franschen er dit middel van vervoer aangelegd , om Bohemen en Sileziën , ende punten Stolpe , Liliënstein en Königstein te beter te verbinden. Zoodra wij den anderen oever bereikt hadden , begon het klimmen weder , om den overbuurman van den Königstein , de Liliënstein te be-

- 80 -

reiken , en met behulp onzer bajonetten bereikten wij al spoedig den bergrug. Die eene dorre , naakte rots verwacht had , vond zich aangenaam bedrogen ; want wij waren, op eene uitgebreide vlakte gekomen , waarop het graan in al zijn rijkdom prijkte , en weelderige dennen de akkers omgaven en zelfs aan den oever zich tot een bosch vormden. Op dezen bergrug , waar wij reeds de tenten voor ons aanwezig vonden , stonden mede eenige hutten.

Honderden voeten boven ons verhief zich een rotstop , welke zich als in de wolken verloor. Duizelingwekkend was die aanblik , te meer daar er een brok van de rots geweldig vooruitstak , en ons aan haren voet door haren val scheen
te bedreigen.

Hier zouden wij dus ons verblijf moeten honden.  Ik had er nog maar twee dagen doorgebragt toen de lust mij bekroop den bergtop te beklimmen. Ik deelde van Riel en nog een derde mijn plan mede , en wij besloten het uit te voeren. Wij hadden al spoedig een in de rots gehouwen trap ontdekt , die ons naar den top geleidde , waar in de 16de eeuw de burgt Ilgenstein gelegen was. Hier was het eene volkomen wildernis ; de zwarte bessen die er groeiden gaven ons eene aangename verkwikking.

Die woestenij was welligt de oorzaak dat voor onzen blik de put , die door sommige schrijvers vermeld wordt , en een opschrift met het jaargetal 1499 moet dragen , even zoo verborgen bleef , als de obelisk die hier eenmaal ter gedachtenis opgerigt werd aan het bezoek van Augustus den I , in 1708 , en van den tegenwoordigen Saxischen Koning , in 1771 , die er met zijn 

- 81-

hof den maaltijd hield. Zeer veel schoons voorzeker hadden wij van Dresden af gezien , maar dit alles werd overtroffen door het gezigt op den top van den Liliënstein , die als een vorst zich boven de twaalf hem omringende rotsen verheft. Ten zuiden van ons lag het magtige Reuzengebergte , als een bolwerk tusschen Saxen en Bohemen opgerigt , en een keten vermende , wiens uitgestrektheid het oog niet meten kon.


Westwaarts hief de nigstein zich reusachtig op , op welke vesting van de Liliènstein af , eenmaal de groote
Frederik te vergeefs zijn kruid verschoot , daar de korrels of in de rivier of aan den voet der sterkte bleven liggen. Ten noorden leverde de Pirnasche vlakte , waar in den zevenjarigen oorlog de Saxers hunne wapenen voor den Pruissischen held nederlagen , een even zoo verrukkend landelijk tooneel op , als de ten oosten liggende graanrijke velden van den Opper Lausnitz. 

Men wordt niet verzadigd van de aanschouwing van dit tooneel : maar wij moesten naar het kamp terug , welks tenten , van den rotstop gezien , ons kaartenhuisjes toeschenen. Voldaan echter over hetgene wij gezien hadden , keerden wij terug. Het genotene had ons het gevaarlijke van den weg , door de kloven en scheuren in de rotsen , waarover wij langs een vermolmd of begroeid stuk hout gaan moesten, rijkelijk vergoed.

Ons kampement was hier beter dan bij Dresden.
De troepen , welke het aan ons overgelaten hadden , hadden grooter tenten gemaakt , die van boven met boomschors of zoden belegd waren , en goede britsen

- 82-

of legplaatsen hadden ; maar het stroo dat Zij ons lieten was kaf , met een gezelschap dat , met hetgeen wij medebragten vergroot , verre van aangenaam was , en een verdelgingskrijg onvermijdelijk maakte.

Overigens was onze leefwijze dezelfde. Zeldzaam echter hielden wij allen tegelijk exercitie , daar dagelijks 50 man van elke compagnie aan eene batterij moest werken , die op den bergrug waar wij lagcn , gebouwd werd.

Dit bouwen ging echter niet zeer vlug ; want ondanks het naauwe toevoorzigt ontsnapten menigeen aan het werk , en ik zelve liet , in navolging van anderen , spade en kruiwagen aan hun lot over. Wat al kunstgrepen werden er niet verzonnen om van dit werk , dat niemand behaagde , af te zijn. Zelfs zij die met de taak belast waren , om eene gracht van haar water te ontlasten , reikten elkander ledige emmers over , ofschoon zij , om door den opzigter niet
overvallen te worden , aan elke vleugel een of twee volle in voorraad hadden. Werken was aan de orde van den dag , die verschoond werd aan gracht of batterij , werd afgezonden om een dijk of weg te vergrooten of te verbreeden. Tweemalen moest ik met eenige anderen aan den weg , die de gemeenschap van Liliënstein met Stolpe onderhoud , werken , om die van boomen , huizen , kortom van alles wat den doortogt van artillerie hinderlijk zijn kon , te zuiveren.

Van den vroegen morgen tot den laten avond waren wij met omhouwen , wegbreken en vervoeren bezig ; terwijl er op een anderen tijd weder gefourageerd en drinkwater uit eene put in de bergpassen gehaald 

- 83-

moest worden. --- Zoo was ieder onzer dagelijks bezig , en de dienst werd dubbel moeijelijk. 

Tot overmaat van dit alles ontstond er eene boosaardige huidziekte onder de soldaten. Zij , welke hier door aangetast werden , moesten op eenigen afstand van het kamp , in een tot lazareth ingerigte schuur , hun verblijf houden. Meer dan 200 personen waren daar onder geneeskundig toevoorzigt. Het was een zonderling schouwspel , die patientcn eenige keeren op een dag moedernaakt te zien rondspringen , daar de een den ander met zeker middel moest insmeren , welks krachtige en gevoelige werking zich pijnlijk openbaarde.


Men behoefde niet te vragen , wie acteur in deze bedrijven geweest was ; want als de door de ziekte aangetasten in ons midden wederkeerden , was 't of zij uit , het geestenrijk opgestaan waren , en dagen , weken verliepen er eer de sporen van hun lijden van het gelaat verdwenen waren.

Gelukkig bleef ik van deze plaag bevrijd ; alleen werd ik ten gevolge daarvan , door menige kameraad belast met horologie of zilver geld , daar dit anders , door de gebruikt wordende smering , zoo blaauw als lood werd. Zorgvuldig werd daarom op het lieve geld gepast , en met reden , want de menage kwam schraal om , en elken dag kon men het zoo hoog noodig hebben.

De vivandières , die een barrikade van wagens achter onze tenten opgerigt hadden , verdienden menige grossche aan ons. Wiens beurs het lijden kon , behoefde geen gebrek te hebben. Brood, rijst en groenten , moerbeziën en kersen , werden met verschillende

- 84-

dranken dagelijks aangevoerd. Maar hoe vele armen moesten in het gezigt van dien voorraad honger lijden ; want zij mogten al eens een aanval wagen op een aardappelenveld , die roof was op verre na niet toereikend, om in de behoeften te voorzien. Ook werd er wel opgelet , dat zij de kleine en jonge aardappelen , als schadelijk voor de gezondheid , niet orberden. Ik mogt mij dus gelukkig rekenen , boven velen mijner lotgenooten , die niets dan den soldaten pot hadden ; maar dit was nog niet alles ; mijn linnen kon ik ook beter onderhouden , en de waschvrouwen er voor laten zorgen.


Dit laatste had mij echter kwalijk kunnen bekomen. 
er waren namelijk vier dagen verloopen , na den bepaalden tijd , dat de wasschters beloofd hadden gereed te zullen zijn , toen ik hoorde dat zij het linnengoed reeds afgegeven hadden. De eerste gelegenheid de beste nam ik dus waar om mijne bezitting aan te vullen , en daar mijne hembden weg waren , nam ik maar anderen , en de ruil was zoo kwaad niet , daar ze veel fijner dan de mijne , en zeker het eigendom van een der officieren waren.
Maar wat zou ik doen ? 
De omstandigheden mogen deze ruiling verschonen , en ik zou het niet gedaan hebben , wanneer wij niet elk oogenblik hadden kunnen moeten opmarcheren ; het bevel dat wij steeds onze goederen in onze nabijheid hebben en met schoenen aan de voeten moesten gaan slapen , waren teekenen die mij geen lang wachten veroorloofden.


Het verblijf alhier werd nog voor mij gekenmerkt door een avancement , waarop ik niet gerekend had , en dat ik, zooals is medegedeeld, ook niet wenschte. 

- 85-

Ik werd tot onderofficier bevorderd , en dat wel bij een regiment dat in Italië georganiseerd werd. Eenige andere soldaten , die gelijke aanstelling ontvingen , waren met deze onderscheiding hoog ingenomen ; maar ik , die in mijne gedachte den afstand eens narekende van Saxen naar Italië , en de marschen die er gemaakt moesten worden , was dit niet. Ik bedacht mij niet lang en verzocht voor de toegedachte eer te mogen bedanken , daar , als men mij bevordering waardig keurde, ik die liever hij het eigene regiment wenschte te verdienen.

En even zoo haastig als de aanstelling geschied was , kwam ook het ontslag. De overige aangestelden marcheerden vol vreugde naar Dresden , doch na weinige dagen kwamen zij in eene geheel andere stemming terug , daar de aanstelling niet was door gegaan. Ik had medelijden met de dus teleurgestelden ; want behalve dat zij hunnen rang verloren , misten zij , toen zij weder in de gelederen traden , de een zijn laadstok , de ander zijne bajonet , enz. ; dingen, die toen zij bij hun vertrek de wapens afgaven , door anderen weggenomen waren.-----

Veel werd er gegist over deze voor een soldaat, zeker belangrijke gebeurtenis , en ik heb er later geene betere oorzaak voor kunnen vinden , dan dat ook ons regiment eene bijdrage moest leveren , tot die officieren van verschillende rangen , die onder den stiefzoon des Keizers , Eugène de Beauharnais , behulpzaam moesten zijn,
om uit de ongeoefende rekruten in
Italién een strijdbaar leger zamen te stellen , aan de grenzen van Oostenrijk.

- 86 -

Het schijfschieten was mede eene der zaken waar mede men ons hier bezig hield. In het eerst was ieder zeer begeerig om den prijs van 5 francs voor het beste schot te verdienen ; maar toen menigeen het doel getroffen had , maar niemand de belooning ontving , was de geestdrift ten eenenmale weg , en het glas genever of brandewijn , dat de beste schutter in de plaats van het beloofde ontving , had veel minder aanlokkelijks.
Krachtdadig werden wij in de laatste dagen , die
wij in het kamp doorbragten , gedrild ; de eene exercitie volgde op de andere.

Voornamelijk werden wij
in de wachtdienst geoefend. En dit was hoognoodig ; want men kon ons nog geen  voorpost toevertrouwen.

Dit bleek toen ik met 12 tirailleurs , een luitenant een serjant en een korporaal , een post aflossen ging , die een uur gaans van het kamp , op een hoogen bergtop aan de Boheemsche grenzen stond. Het viel mij te beurt om van middernacht tot twee uren in den ochtend op wacht te moeten staan. Die tijd was naauwelijks daar of een trap op de beenen , (de gewone manier om de nommers , die aflossen moesten te wekken) deed mij oprijzen en den ransel , op welken ik zoo even nog rustte , (daar wij onder een afhellend dak van boomtakken gelegerd waren) op den rug nemen , en vergezeld van 2 tirailleurs losten wij daarop de posten af.


Daar stond ik nu in een stikdonkeren nacht , geen hand voor de oogen kunnende zien , in eene duisternis die nog bevorderd werd , door de sparreboomendie den kruin van dezen berg bedekten. Rondom mijheerschte de diepste stilte , slechts afgewisseld door het geschreeuw der roofvogels die over mij heen-

- 87-

Vlogen. Onwillekeurig verdrong ik deze eenzaamheid de eene gedachte de andere ; herinneringen te over kwamen er voor mijnen geest , en ik dacht aan mijn leven in het vaderlijk huis , en wat er voor mij als soldaat al niet verloren was gegaan! Hoe kon het dáár niet veranderd zijn? Ik wist niet eens of mijne geliefde betrekkingen nog leefden? Zooveel , zoo oneindig veel kwam er bij mij op , zoovele vragen waarop ik geen antwoord kon of durfde geven.

Een uur mogt ik zoo peinzende op en neder gestapt hebben , toen ik een gerucht hoorde, dat op eens alle mijne overpeinzingen stoorde , en mij weder tot mijnen post bepaalde. Het kwam nader en scheen veroorzaakt te worden , door een den berg oprijdenden kavallerist. Ik stelde mij in positie , en riep luide : " Halt lá! Qui vive?" tot mijne verbazing ontving ik geen antwoord. Luider nog herhaalde ik mijn " Qui vive ?" en zette tevens mijn geweer aan. " Ordonnance " klonk het mij daarop te gemoet , en de ruiter gaf mij zijn verwondering te kennen , hier eenen voorpost aan te treffen , en vroeg mij tevens hoe ver hij nog van Königstein af was. Ik had mijn geweer weder in den arm genomen , zonder dat ik , volgens mijn pligt , de wacht in het geweer riep , opdat het voorgeven van den ruiter blijken kon waarheid te zijn. Hij echter gaf zijn paard de sporen , en rende ook de andere schildwachten voorbij , zonder dat zij hem aanhielden.

Toen wij afgelost werden , spraken wij over niets dan over dien ruiter , doch naauwelijks was deze den vol-
morgen de hoofdwacht gepasseerd , of er werd 

- 88 -

onderzoek gedaan, wie des nachts van 12 tot 2 uur op den uitersten wachtpost gestaan had. Eene huivering ging mij door de leden toen ik dit hoorde , en de luitenant op mij zag afkomen ; maar toen hij mij naderde , scheen het of hij eensklaps eene onaangename gewaarwording gevoelde , en geen wonder , want de man had tegelijker tijd een slang in zijn pantalon ontdekt.  Dit beestje van wel voet lengte er uit te halen en in stukken te houwen , gaf zooveel afleiding en bezigheid en stof tot discours , dat ik er door vergeten werd , en er naderhand met eene ligte berisping afkwam.


Met de staatkundige gesteldheid van Europa bleven wij hier even onkundig als te Dresden. In nigsteinwaar ik ter sluiks een paar malen heen ging , was men even wijs. Wel verspreidde zich somtijds het gerucht , dat de Russen op 40 of 60 uren van ons waren , maar dat waren even zulke gissingen als die over den afstand der Oostenrijkers , die hun hoofdkwartier te Töplitz hadden en dus zoo ver niet van ons waren en men kon alle de tijdingen die ons medegedeeld werden , wel onder de klasse der vermoedens rangschikken. De ochtend van den 9den Augustus leverde daar nog een bewijs van ; want toen met het krieken van den dag eenige regimenten ons kamp door naar Dresden trokken , als toen sprak men algemeen , dat wij hen zouden volgen en naar Italië marcheren , dewijl de Oostenrijkers daar een inval gedaan hadden. 
En dat vertelde men ons op hetzelfde oogenblik dat 237,000 man onder den Prins van Schwartzenberg aan den Eger , 95,000 man onder Blücher aan de

89 -

Katzbach en 150,000 man onder Bernadotte aan de Spree en de Havel stonden , zoodat het Fransche leger 260,000 man sterk , als door hen omringd was , en alleen naar de zijde van Leipzig , dewijl het hoofdkwartier te Dresden was , eenen uitweg had.

 

-ooOoo--


HOOFDSTUK XI.

••
Vertrek van tie Liliënstein, om den verjaardag des Keizers te vieren.
Hoc luisterrijk dit was, en hoe de soldaat onthaald werd. Einde van.

den wapenstilstand. Voorwaarts. De puinhopen van Bischoffswerda
en droevige gevolgen van den oorlog. Een brief van huis.

••



Was
het gerugt, waarvan in het vorige hoofdstuk gesproken werd , valsch , ten aanzien van de plaats waarheen , het was toch waarheid dat wij marcheren zouden , want het bevel daartoe werd gegeven en wij verlieten , na een verblijf van 16 dagen , den top van den Liliënstein , in den namiddag braken wij op ; het was schoon weder , maar de hitte in de lage bergkloven was ondragelijk en het zweet druppelde ons reeds van het gelaat , eer wij de afhelling van den berg , die voor het fort Königstein ligt, bereikt hadden.


Wij hadden langs dezelfde route die wij gekomen waren , weldra Pirna bereikt , bleven voortmarcheren tot aan eene vlakte , en werden toen op eenige dorpen gedetacheerd. Des avonds , elf ure , kwamen wij eerst in ons kwartier , en het kwam ons in den duisteren nacht goed te stade , dat de boeren ons met lantarens afwachtteden , en ieder zijn aandeel onder zijn gegeleide nam.


Zes en dertig
man schaarden zich om den boer die onzen gastheer was aangewezen , en het stemde

91 -

ons dadelijk ten zijnen voordeele , toen wij binnentredende , twee tafels gereed vonden , waarop de aardappelen soep dampte , groote , ronde brooden gereed lagen , en hij oogenblikkelijk de flesch ten wellekomst liet rondgaan. Terstond werden de wapens afgelegd , en 36 monden stelden zich in beweging met eene gezwindheid , die den boer en zijne huisgenooten verbaasden. Zoodra wij de spijs hadden doen verdwijnen , ging ieder aan het poetsen , daar wij tetwee uren moesten oprukkcn , en wel in grand tenue.  Een klein toeval verschafte mij boven de anderen
veel werk ; door de duisternis was ik in een moeras getuimeld en de slijk zat mij tot aan de ooren. Ik was nogthans bij tijds gereed , en wij marcheerden naar Dresden. Met zonsopgang hadden wij de stad bereikt , en hielden in gesloten gelederen voor eene der poorten halt.


Wat zou ons gebcuren ? In
Dresden garnizoen houden , of weder het vroegere kamp betrekken ?
Beide vooruitzigten waren even aangenaam. Maar het gedurig aankomen van rcgimenten van allerlei wapens ,
zoo uit de stad als den omtrek , gaven weinig grond om dit te veronderstellen , veeleer gaf het ons de overtuiging , dat er iets belangrijks ophanden was , ---

Niemand onzer echter kon op het denkbeeld komen , dat wij hier geroepen waren , op den 10den Augustus , om den geboortedag des Keizers , die eerst op den 15den inviel , te vieren.

Het eene corps voor het andere na , drong (wanhet was geen geregelde marsch meer) over de Elbe naar de vlakte van Ostragehäge , die door hare uit-

- 92-

gestrektheid zeer geschikt was , voor eene ontwikkeling van militaire magt , als wij daar aanschouwen zouden.
Daar stond weldra alles , wat van troepen zich in den omtrek van Dresden bevond , vereenigd , om in het beste gewaad door den Keizer in oogenschouw genomen te worden.

Een geruimcn tijd hadden wij , op de tromp van het geweer leunende , reeds daar gestaan , en de brandende
zonnestralen deden ons haast bezwijken , eer het geroep van : " Vive l' Empereur !" het gewigtige oogenblik aan-
kondigde. De Keizer, vergezeld van den Koning van Saxen en een schitterenden staf , verscheen.

Luisterijk en grootsch was het schouwspel dat hun gegeven werd , en voor mij en zoo velen die nimmer
eene zoo talrijke magt bijeen gezien hadden , was het een belangwekkend tooneel. De staf van het leger ,
op eenigen afstand van de korpsen geplaatst , wekte reeds de bewondering op , door prachtige uniformen ,
blinkende van goud en zilver , en menig uitgedost hoofdofficier kontrasteerde sterk met den Keizer , die
slechts den eenvoudigen groenen rok droeg , zoo als ik hem vroeger in Amsterdam had gezien. Door niemand vergezeld , reed hij op een schimmel , door de gelederen. Wat of die man , met het oog op die 14,000 man infanterie , uit grenadiers , jagers , voltigeurs en flankeurs zamengesteld , en in lange slagliniëafgedeeld , op die gardes , het beroemde en geliefdste der korpsen , op die eskadrons chasseurs , dragonders , Poolsche lanciers enz , op de aanzienlijke magt , die daar voor hem geschaard stond , al gedacht moet hebben , vooral hij de herinnering aan de verliezen die geleden


-
93-

waren , en nu Europa moede scheen zich langer onder het juk te buigen , dat zijn ijzeren vuist op zijne schouders gelegd had.

Naauwelijks was de Keizer voor het front der voltigeurs gekomen , of het " Vive l' Empereur !" door hen aangeheven , klonk als één toon door de gansche linie. Wij presenteerden de geweren in dit zelfde oogenblik , en de Keizer galoppeerde in weinig tijds de uitgestrekte linién door ; waarna wij allen voor zijn persoon moesten defileren. De duizende strijders bewogen zich toen als op éénen wenk ; de eene afdeeling als met de andere wedijverende in houding en juistheid der manoeuvres.

Toevallig werd ik van deze evolutiën bevrijd , door dat bij het zwenken een der riemen van mijnen ransel brak. De kolfstoot van een serjant was mij eene aanmaning om uit het gelid te treden. Hoe gevoelig ook , het bevel was mij thans hoogst welkom ; want ik zette mij nu op mijn ransel in het gras ter neder , en had het genoegen meer van de wapenschouwing te zien , dan mij te beurt gevallen zou zijn , als ik in de rijen gebleven was.

Eindelijk keerden de regimenten naar Dresden terug.

In de Neustad vonden wij verscheidene tafels geplaatst , die , niet zoo als sommige schrijvers gemeld hebben , voor allen gedekt waren , maar waaraan alléén de hoofdofficieren der verccnigdc korpsen zich vergasten mogten.

Wij marcheerden zonder oponthoud de poort uit , die naar ons vroeger kampement leidde , maar sloegen , tegen aller verwachting , dadelijk links af en een

- 94-

hollen weg in , waar iedere voetstap zich als in het mulle zand verloor. Wij sleurden het afgematte ligchaam in de vcrschrikkelijke hitte voort , snakkende naar een dronk waters , en de schoone natuur om ons was getuige van het morren , dat vrij algemeen in de gelederen gehoord werd.

Hoe welkom was het ons dus , toen een dorpje zich voor onze blikken vertoonde , en wij hier de plaats onzer bestemming bereikt dachten. Wij werden echter niet gebilletteerd , maar legerden ons tegen een der bergen , waarin het dorp als omsloten lag.

Van vermoeidhcid vielen wij neder als ofschoon de hitte der zon zich aan het zand medegedeeld had , en hare stralen nog brandend nedervielen , sluimerden en dommelden wij in. Tegen zonsondergang riep de trom ons weder onder de wapens. Toen wij geschaard stonden , werd aan elke twee man een hollandsche gulden uitgedeeld , " op dat wij ook een verkwikkende teug op Napoleons geboortedag zouden kunnen drinken!" Dat gaf men ons voor , ofschoon wij van Maintz tot Dresden onze gage nog te goed hadden.


Voorzeker menig toast was in Dresden reeds ingesteld , eer men om ons dacht. Wij hadden ook geen lang genot van de gift , ze was spoedig verteerd. Weldra stonden wij weder gerangeerd , ieder oogenblik het bevel tot den opmarsch wachtenden.


Van den bergtop , waar wij stonden , hadden wij een schoon gezigt over het dorp met eene bekoorlijk gelegene ruïne er achter , en op de stad Dresden met hare torenspitsen en koepeldaken , door de laatste zonnestralen als verguld. Ik geloof dat dit bevalli

- 95-

gelegen dorp , Tharant heette ; eene plaats die onder de schoonste in Dresdens ommestreken geroemd wordt.

In den avond rukten wij weder op de stad aan , waar wij aan de Elbe in quarrés gevormd werdenOp eens donderde het kanon, dat op de brug geplaatst was , langs de oevers , en vuurpijl op vuurpijl steeg uit een der bosschen omhoog. Ook wij zouden het onze tot het feest , dat gevierd zou worden , bijbrengen ; er werden ons patronen afgegeven , die daarvoor expres gereed gemaakt waren , en bij hunne ontploffing eene menigte kleine sterren verspreidden.

Zoo hielpen wij lustig Napoleons geboortedag vieren en den luister van het feest verhoogen ; een feest , waartoe de natuur scheen mede te werken , en de man , die dergelijke omstandigheden zoo te pas wist te brengen , kon van dien heerlijken avond een teeken ontleenen , zoo krachtig als ooit door hem in een legerorde gebezigd werd.

Heerlijk schitterde de verlichting der publieke gebouwen bij het duistere van den avond ; schoon was hare weerkaatsing in den kalmen Elbevloed. Het oog werd bijkans verblind door de duizende vuurlichten ; terwijl het oor als verdoofde , door het gekletter der quartés en de onophoudelijke kanonnade.


Aan verpozen scheen men niet te denken ; werd er niet geschoten , dan was dans en spel aan de beurtEn die zelfde Franschen , die daar zoo lustig omsprongen , hadden toch even als wij Hollanders , die ons stil afzonderden , des namiddags de order hooren lezen dat wij naar de groote armee moesten marcheren


- 96-

Hoezeer wij dus ook naar de finale verlangden het feest duurde voort ; vuurpijlen snorden , geweren
knalden alsof er geen einde aan komen zou. Des nachts ten 2 ure echter werd op eens het feest besloten , en bij het licht en het gejuich te vergelijken dat wij verlieten , scheen onzen togt een doodenmarsch te zijn en toen wij weder aan het gebergte kwamen , was het nederliggen op een hoop zand niet zoo vreemd aan de gedachten , tot welke de sombere marsch mij onwillekeurig stemden.

Wij lagen hier met verscheidene regimenten. Van tijd tot tijd werd mijn slaap afgebroken , door het afroepen van de nommers der regimenten , waardoor sommige achterblijvers in de digte massa's hunne plaats zochten. De reveille wekte ons reeds vroeg , en den 11 den Augustus verlieten wij Dresden , om ons naar het tooneel des oorlogs te begeven. Den 17den Augustus was de wapenstilstand geëindigd , en de vijandelijkheden zoude dien schielijk opvolgen ; daarbij mogt de oude en jonge garde niet achterblijven , die garde welke de kern en de kracht des franschen legers uitmaakten.

Met een deel dezer magtige garde trokken wij dan op , en bereikten in den namiddag , het op een en heuvel gelegen stadje Bischoffswerda , aan welks voet wij halt hielden. Onze compagnie kreeg last eenige passen vooruit te marcheren. Toen dit verrigt was werd ons door den kolonel een kapitein voorgesteld , wien het bevel over onze kompagnie opgedragen was. Hij scheen een man te zijn , reeds aan den kruiddamp gewoon , althans de klep van zijn driepuntigen hoed was door een musketkogel doorboord.


97 -

Van den moerasgrond , waarop wij halt gehouden hadden , marcheerden wij toen den heuvel op en de stad binnen ; die men wel een puinhoop noemen kon. Met regt kon men er van zeggen , er was geen steen op den ander' gelaten ; de zijmuren eener kerk en een drietal huizen was het eenige , dat van het weleer zoo schoone stadje overgebleven was. Het was eene bittere scherts , dien last later door den Keizer gegeven , om hier aan de ten deele staan gebleven poort, een billet aan te slaan dat vrijheid van inkwartiering voor de stad inhield. En waar zou men ook verblijf vinden ? Van straten of stegen was geen spoor te vinden ; over puinhoopen moest men zich een weg banen , en van alle de vroegere bewoners zagen wij een enkele burger , die nog bezig scheen om iets van zijne verwoeste have op te sporen.  Vreesselijk had de krijg op dit plekje gewoed !

Op den 12den en 13dcn Mei was hier door de Russische achterhoede , onder Miloradowitz en de Fransche voorhoede bloedig gevochten en iederen voet grond betwist : waarom de Franschen het hij afwisseling genomen en hernomen stadje uit wraak aan plundering en vlammen overgaven.

Maar de verwoesting had zich niet enkel tot Bishoffswerda bepaald , zij strekte zich over onze geheele marschroute uit , zoodat menig dorp geen huisvesting meer bieden kon , en de lucht , door zoo velelijken , welke maar los onder de aarde gestopt waren , met verpestende dampen als bezwangerd was. Het detacheren op afgelegene dorpen , deed ons het als vernielde oord verlaten , en meer gemakken vinden. De


- 98 -

boeren in deze streek , die men voor afstammelingen der oude Wenden houdt , en die in taal en zeden van
hunne naburen onderscheiden zijn , zijn het niet min- der in ; hunne .kleeding. Velen zijn in eene schapenvacht gewikkeld , die zij naar gelang van , het weder ,met de wol naar buiten of binnen omslaan. In Silezie echter zag ik menigen boer in een dergelijk kostuum , doch daar ook de bevolking van dit land , mede uit onderscheidene stammen bestaat , is het niet onmogelijk dat ook zoowel daar als in de Opper- en Nederlausnitz sporen dier Wendische afkomst aanwezig zijn.

Den volgenden dag hadden wij rustdag , namelijk toen de exercitie en het poetsen der geweren geeindigd was. Zoodra dit verrigt was onttrok ik mij aan het gewoel , om in eenzaamheid een des morgens van mijne ouders ontvangen brief te lezen. Wel had ik dien vluchtig doorgeloopen , maar ik verlangde dien gezet na te gaan. 0 , hoe dikwerf las ik die brieven nog eens na ! Zij toch waren als de eenige band aan te merken tusschen mij en de ouderlijke woning , die woning waarin ik mij zoo vaak terug dacht !

Dat die brief de laatste zijn zou dien ik ontvangen mogt , was niet te vermoeden , en. toch was , helaas !
een zamenloop van omstandigheden daar oorzaak van.

--ooOoo--


HOOFDSTUK XII.

••

Van Bautzen naar' Hochkirch. Eene te duur gekochte' rust. Eene drukke

bakkerij. Oatritz. Arrest. De ophanden zijn'de slag. Napoleon. Kanon-
vuur. Sombere stemming des gemoeds. En avant. Het loopt op
eene plundering uit. Ellende. Een verdiend verwijt. Eene smul-
partij. en wie daaraan deel mogten nemen. Haastig oprukken.
Nog eens de Keizer. en een raadsel opgelost. 

••

In den namiddag van den 13den Augustus rukten wij op Bautzen , bekend door den slag op den 20sten Mei. Voor deze stad hielden wij eenige oogenblikken halt. In de nabij gelegene vlakte wemelde het van legerkorpsen , die van de hoogte waarop wij stonden zoowel als door den afstand , een uitgestrekt mierennest geleken. Of deze magt ook. tot de 40.000 man garde behoorde en met ons een geheel uitmaakte , is mij niet bekend , maar ik veronderstel het , daar wij , als er 'op bepaalde punten halt gehouden werd , ons soms door duizenden wapenbroeders omringd zagen ,
die bij' een opmarsch weder even schielijk verdwenen waren.

Van Bautzen ging het op Hochkirch. In dit vlek was aan geene inkwartiering te denken. De geweren werden dus gekoppeld en er werden vuren aangelegd , en terwijl eenige zich op hunne ransels zetteden en anderen aanstalten maakten om soep te kooken , stapte ik , die gaarne onder dak was , eene der straten in , en kwam na lang in de nachtelijke duisternis rond gesukkeld te 

- 100-

hebben , in eene stalling , waarin ik een leger hoopte te vinden. Toen ik binnentrad zag ik een wapenbroeder voor mij uitgaan , maar op eens was hij verdwenen, en ik volgde zijn voorbeeld , door mij over dezelfde beschutting te laten vallen ; maar in plaats van op stroo , kwamen wij op vreemde krijgsmakkers , vrij onzacht neder. De duisternis die ons omringde , was welligt oorzaak dat de zoo uit hunne, rust opgeschrikten , zich enkel tot een vloed van scheldwoorden bepaalden , en de klappen spaarden , die anders wel ons deel geworden waren. In stilte tastte ik dus naar een plaatsje rond , en ik vond er een , zoo het er een heeten mogt , om mij neder te leggen. Mijn kameraad deed
waarschijnlijk even zoo , want ik hoorde hem niet meer.


Had ik kunnen weten dat die rust zoo kort zou 
zijn , ik had mij wel voor de moeite en het gevaar gewacht , want ik was nog niet lang ingeslapen, of de trom deed mij van het strooleger opspringen en mijne compagnie weder opzoeken. Wij verlieten Hochkirch, waarvan ik wel niets zal navertellen , want het was -nog nacht , toen wij aan den voet van de hoogte , waarop dit plaatsje ligt , appel hielden. Menigeen was niet present , zoo dat er een geruimen tijd verliep eer wij naar Reichenbach voortrukten Inmiddels was ons leger door aankomende corpsen aan-
zienlijk vermeerderd , en de verschillende sporen in den weg waren een bewijs , dat er reeds een zware trein
voor ons uit getrokken was , en duizcnde militairen voor ons den grond betreden hadden waarover wij gingen. Het was op deze route dat ik voor het eerst eene telegraaf geplaatst vond.


- 101-

Wij hielden ons in Reichenbach niet op , maar marcheerden voort naar Görlitz aan de Neisse , het stadje waar Napoleon , na de ontvangst van de teekening van den wapenstilstand , op den 4den Junij te Pleischwitz gesloten , tien uren achtereen doorsliep. Een ongehoord geval , zoo als zijn hofbediende meldt , maar zeker een bewijs dat Napoleon door dit traktaat vele zorgen benomen waren.

Aan den anderen oever der Neisse bij Moijs, op den zoogenaamdcn Jakkels of Holtzberg , een dorp , bekend door het verlies dat de Pruissen aldaar den 7den September 1757 van de Oostenrijkers leden , legerden wij ons in een door voorafgegane troepen verlaten kamp , De tenten waren echter klein en zonder britschen , even als wij die bij Dresden gemaakt hadden ; nogthans hadden wij daar versch stroo , terwijl wij ons hier in kaf konden rondwentelen ; eene ongevallige legerstede en die men doorgaande niet alleen deelt.

De weinige dagen hier doorgebragt waren stil en eentoonig , want buiten de gewone exercitiën viel er niets voor ; en men bleef in het kamp , tenzij men gerequireerd werd om te fourageren. Ook mij viel dit eens te beurt , en ik had hierdoor gelegenheid om Görlitz, het grootste en neringrijkste der zes steden uit de Opper-Lausnitz , van naderbij te bezigtigen.

Er heerschte toen wij er aankwamen eene buitengewone levendigheid ; het eene transport verdrong bijkans het andere. Er was een lokaal opgeslagen , waar nacht en dag zestien bakovens gloeiden , die bergen aan kommiesbrooden leverden ; doch hoe hoog 

- 102 -

ook gestapeld , of liever ter neder gesmeten , ze waren spoedig in. de fouragezakken verdwenen. En zoodra was niet die van den een gevuld of anderen waren gereed om even zoo voorzien te worden , en velen moesten dien voorraad bergen voor eene lange reis ; daar dit gebaksel van hier der armee tot zelfs .in Silezie toegevoerd werd.


Drie dagen bragten wij stil en rustig in het kamp
door , doch op den 17den , kwam alles in beweging. Wij waren reeds gereed om op te marcheren , toen er contraorder kwam , en ieder weder naar zijn leger terug kon keeren. Ten 2 ure werd echter op nieuw appel geslagen , en nu was het ernst , want met gezwinden pas rukten wij in sections voort. Bij onzen afmarsch geraakte , hetzij toevallig of met opzet , eene der rieten hutten , waarin wij onze geweren plaatsten , in brand.


Op eenigen afstand van
Ostritz hielden wij halt , en legerden ons in de korenvelden , daar er een gansche trein artillerie passeren moest. In weinige oogenblikken werd zoo op eens de hoop van den landman verwoest ; want het gezaaide was als tot op den grond vertreden , Aan de andere zijde der stad sloegen wij ons bivouac op. In de haast werden er tenten opgeslagen , waartoe deuren , vensters en planken uit de nabij , gelegen woningen gesloopt , .en alles wat maar dienstig zijn kon weggesleept werd. Behalve eenige van de akkers te halen aardappelen , dat niet veel opleverde , daar' dit veld al vroeger was afgestroopt , was er weinig te bikken , weshalve ik naar het er
tamelijk welvarend uitziende stadje ging , en , ten einde"


-
103-

vrede niet mijne maag te hebben , mij voor dezen en ook voor den volgenden dag , van eene genoegzame hoeveelheidbrood-voorzag. Maar naauwelijks had ik mijn neus buiten de deur van den winkel , of ik werd door eene patrouille opgeligt en met nog eenige wandelaars , naar de hoofdwacht van het 9de ·regiment. tirailleurs gebragt , dat mede buiten de stad gelegerd was. Wij werden terstond bij onze aankomst door een' der hoofdofficiers zeer scherp over dit sluipreisje verwelkomd.

Een geruimen tijd bleven wij daar in arrest , tot dat eindelijk een ieder naar zijn regiment getransporteerd werd , alwaar tot mijne verwondering nergens melding van gemaakt werd. Ik liep er dus ongestraft door , en was nog tijdig genoeg voor de exercitie.

Hiermede was dien avond veel te doen. Wij werden in het pelotons- en rottevuur maken gedrild , alsof het nog den volgenden nacht in praktijk gebragt moest worden. Geen laadstok mogt echter aangezet , maar moest op zekere hoogte gekeerd worden , ten einde geen geluid te veroorzaken. Deze nieuwe wijze van , zoo wel als het onafgebroken door exerceren , tot de duisternis het belette , alsmede de talrijke afdeelingen die op dezelfde wijze geoefend werden , moesten ons wel doen besluiten , dat het waarschijnlijk eerstdaags tot een treffen zou kunnen komen ; voor 't minst dat de vijandelijke legers niet verre van ons waren. En des nachts werd mij allen twijfel dienaangaande benomen , toen geene trom ons wekte , maar eene zachte stem voor iedere tent riep : " Aux armes ! Aux armes ! Debout ! debout !" In de wapens ! Sta op!

- 104 -

In weinig tijds stonden wij ook in orde van bataille , maar het gold niets anders dan eene veldontdekking , waarbij de meeste stilte wordt in acht genomen en de voltigeurs vooruitgaan. Het is ongeloofelijk in hoe korten tijd , in het midden van den nacht de soldaat zich kleeden kan , en de wapens weet te vinden , die in rotten geschaard eene gansche linie uitmaken , en er zoude ook menige misvatting plaats hebben , wanneer niet ieder aan eenig bijzonder teeken zijn geweer wist te onderkennen.


Een geruimen tijd bleven wij met het geweer in den
arm in dezelfde positie staan. Eindelijk ontvingen wij bevel de geweren weder te koppelen , en ik dacht dat wij verlof zouden krijgen om op nieuw de smerige tentcn , van welke men sommige in- en uit- moest kruipen , op te zoeken. Wij bleven echter gerangeerd , ontvingen zóó ons commiesbrood , en rukten eindelijk met de overige regimenten verder.

Het was
op dezen marsch , bij zeker dorp, dat Napoleon ons plotselijk met zijn eskorte lanciers achter opkwam , en om den Keizer ruim baan te maken , moesten wij oogenblikkelijk schuins-regts afmarcheren. "Five l' Empereur " klonk het door de gelederen , en van den ganschen stoet zag ik niets dan het laatste opsluiten de gelid der ruiters , daar de wolken stofs en de heuvelachtige weg hen welhaast aan het oog onttrokken. 


In deze bergachtige streek hielden wij halt , en
velen lieten zich het denkbeeld niet ontnemen , dat , wanneer wij de voor ons liggende bergen over waren , het op den vijand los zoude gaan. Bij mij stond dat

- 105 -

zoo vast niet. Er was ons al zoo dikwijls wat op de mouw gespeld , dat men op het laatst aan ieder berigt begon te twijfelen. Luide werd hier dan ook over gedisputeerd. Maar op eens was het , bom! en even als in een vol orkest waar alles forto is , op eens de maat rust aanduid en eene plotselinge en gevoelige gewaarwording te weeg brengt , even zoo zou men het gevoel kunnen vergelijken , dat een tweede en derde " bom !" eensklaps overgaande in een algemeen forto van kanonschoten in de gelederen verwekte. Alle monden waren op eens gesloten en eene doodsche stilte heerschte onder de zoo even zoo luidruchtige massa. Het spreekwoord zegt : " aan alles geraakt men gewoon," en zoo ging het ook met ons.


Het gebulder van het kanon , dat eensklaps zulk een geweldigen indruk op ons gemaakt had , duurde wel voort , maar hield de vroegere luidruchtigheid niet meer tegen en de veldflesch ging weder even vrolijk rond. Of wel allen haar even hartelijk aanspraken , meen ik te mogen betwijfelen.

In ernstige gedachten verdiept zat ik , met het geweer in den arm , op mijnen ransel. Ik overwoog bij mij zelven wat wel den afloop van den aanstaanden dag zou kunnen zijn , en wat , hij te weeg kon brengen. Onwillekeurig erdrong de eene sombere gedachte de andere. Wie zou het mij zeggen of niet het tijdstip daar was , dat een musketkogel mij het levenslicht zou uitblazen , of dat een mijner ledematen , als een offer op het slagveld zou moeten blijven ---
En ik schaam mij die gedachten in zulk een uur niet ; gedachten , waaraan zich zooveel voegde en paarde ; 

- 106-

want kan men den soldaat vóór den slag niet vergelijken liet eenen , die als ter dood veroordeeld is ? al is hij vrij , de tucht houdt hem gevangen ; al wenkt de beul niet , tegenover hem .zijn zoo vele middelen die snel en zeker werken ten dood.--- " En avant!" klonk het op 'eens door de gelederen , en wij rukten de bergtoppen op , welke , in vergelijking met de Liliënsteinsche , heuvelen waren. Maar wie schetst onze verwondering , toen wij van de hoogte
naar beneden in het dal zagen , dat hier en daar met kreupelhout begroeid was , en zich geene vijandelijke troepen , of iets dat naar eenig gevecht geleek , bespeuren liet. En echter het kanon bulderde steeds voort. –-- Wij daalden af tot en in de nabijheid van een dorp , zijnde op de route naar en niet verre van Zittau, de stad waarheen de Keizer dien ochtend zich begeven had. De heuvelachtige grond hield haar echter voor ons verborgen.Wij maakten halt en legerden ons in slagorde. De fouriers begaven zich onmiddelijk met eenige soldaten naar het dorp. Hier zou een verschrikkelijke aanval hebben plaats gehad , wanneer aan de eerste drift geen hinderpaal gelegd ware , door een tak van de rivier de Neisse , welke men over moest. De brug toch die over den stroom lag , kon de toestroomende menigte niet in eens den overtogt verschaffen , en bovendien ieder wilde de eerste zijn , en daar het getal zich
welhaast niet meer tot de gedetacheerden bepaalde , en reeds eenige met buit terugkeerden , zoo heerschte er aldra eene schromelijke verwarring.


Ook ik moest bij dezen stroopt
ogt behulpzaam wezen ,


- 107-

en met veel moeite gelukte het mij op eene der hoeven te komen. Hier had een tooneel plaats , zoo als ik tot heden nog niet had bijgewoond ; al wat ik gezien had was er maar kinderspel bij. Een oogenblik stond ik stil ; want in het eerst kon ik hetgene hier voorviel niet aanzien. Varkens , hoenders , ganzen , kortom al wat dier was , vloog al schreeuwende over de hoeve en sprong soms uit benaauwdheid voeten hoog tegen de wanden op , om de stukken
hout , die hen na gesmeten werden , te ontgaan. De duiven werden met hare hokken en al van de schuren naar beneden getrokken ; de zware deuren der dorschschuur werden uit de hengsels geligt , en met de afgedorschte bossen stroo voortgesleept ; de vruchtboomen werden beklommen en het ooft , dat niet met de hand te bereiken was , met takken en al afgeslagen. De pachter sloeg de handen in het haar , en liep met de zijnen als radeloos rond , en zocht nog te redden wat hij kon. Maar al had de man een dubbel getal knechts en meiden gehad , het zou hem niets tot bescherming van zijn eigendom gebaat hebben. Even als nu zou hij het hebben moeten aanzien dat iedere deur opengetrapt werd ; dat men zijn brood wegdroeg en allerlei voorraad medesleepte ; ja, dat men zijne vrouw het stopgaren zelfs niet liet , van welken buit een onzer de zakken vol had. En dat was eene geringe waarde ; maar hoeveel andere dingen zal men niet weggenomen hebben ? –-- Men moet zulk eene plundering hebben bijgewoond , om die naar eisch te kunnen beschrijven ; maar hoe fraai voorgesteld , afschuwelijk moet de zaak zelve genoemd


- 1
08-

worden. En om te bewijzen hoe er op de hoeven huis gehouden was , zal het genoeg zijn te vermelden , dat des avonds .eenige vrouwen aan ons bivouac kwamen , en al weenende baden om een stuk brood voor hunne kinderen , er bijvoegende : " Heilig de kozakken , die lieten ons nog wat behouden." Hoeveel beteekende dat gezegde niet ?


Ik had echter de voldoening dat deze aanmerking 
niet mij kon gelden ; want ik was zoo gelukkig geweest om mij voor de uitersten te bewaren , waarin anderen vervallen waren. De gedachte kwam telkens bij mij op : de kans des oorlogs is wisselvallig ; welligt komt gij in het geval om eenmaal hulp en toevlugt te zoeken bij hen , die gij heden mishandelt en beroofd!


Hoezeer ik mij dus zooveel mogelijk arm dergelijke
zaken poogde te onttrekken , niet altijd toch gelukte dit , daar ik mij , zoo als hier op de hoeve , aan een bevel moest onderwerpen , ofschoon de wijze van uitvoering anders had kunnen zijn. Om dus als geen onwillige te boek te staan , had ik mij vergenoegd met eenige bossen stroo naar het bivouac te slepen , en ik deed mijn best om een tent met een afhellend dak te maken , terwijl anderen de vuren aanmaakten en een gans plukten , en weer anderen appelen en aardappelen schilden , zoodat wij tegen den avond ,
op het gras gezeten , eene regte smulpartij hielden , die door menig hartigen dronk bevochtigd werd.


Eenige kameraden werden tot dezen maaltijd niet toegelaten en konden hongeren , daar zij niet behulpzaam waren gcweest , om er het noodige voor te verkrijgen.

- 109-

Dit waren de gevolgen wanneer men zich aan alles onttrok. ---Met zons-ondergang hield eindelijk het kanengebul-
der op , en spoedig waren wij op de ransels in rust.
Den morgen van den
20sten Augustus wekten de trommen ons reeds vroeg , en wij ontvingen bevel ons linnen in de rivier te gaan wasschen , wij spoedden ons derwaarts en lieten de ransels ontpakt liggen , onder het toezigt van een onzer kameraden. Maar ter naauwernood had ik een mijner hemden te water , of daar roffelde de trom , alles kwam in beweging , en ieder spoedde zich naar zijne afdeeling. De ransel half gepakt , en het natte hemd er over om te droogen , plaatste ik mij in de gelederen. " Regts omkeert , voorwaarts marsch !" werd er gekommandeerd. " Five
l' Empereur !" werd er te gelijker tijd aan eene andere flank geroepen , en de Keizer snelde ons voorbij.- 
Wat mij toen raadselachtig voorkwam , ofschoon een den vorigen dag toevallig gehoord gesprek tusschen twee officieren , mij de zaak ecnigzins duidelijk kon maken , werd mij later opgehelderd. Een der officieren , die , toen een ander hem vroeg , " wat dat rusteloos vuren toch beduidde , daar wij zoo bedaard gelegerd bleven? " antwoordde : " dat het waarschijnlijk niets dan eene krijgslist des Keizers was ," wist niets meer dan wij. . Later is mij gebleken , dat Napoleon , die door de legers der geällieerden in Bohemen als omringd was, en geen marsch voorwaarts kon doen , zonder in gevaar te geraken dat zijne troepen afgesneden werden , niets anders overbleef dan af te wachten , waar men hem aanviel. En toen hij vernam dat Blucher op-

- 110 -

gebroken was en de Franschen over den Katzbach en Bober gedreven had , wendde hij zich derwaarts.---Neij , Macdonald , Lauriston en Sebastiani , stonden reeds tegenover het Silezische leger , en nu voerde Napoleon nog de afdeelingen Marmont en Mortier , de ruiterij, van Latour Maubourg en de oude en jonge garde aan. Hiermede trok hij over de Bober , en kwam Blucher voor , die langzaam naar den Katzbach terugtrok.

 

--ooOoo--


HOOFDSTUK XIII.

••

Vermoeijende marsch, Een uitstapje dat langer duurt dan het voornemen

was, en hoe achterblijvers den tijd doorbrengen. De gastvrije ont-
vangst te Themensdorf. Nachtelijk rumoer. Terugtogt der armee.
Eeu afscheid dat niet van langen duur zijn zal.
••


Wij marcheerden voort tot eene zekere hoogte , waar wij plotseling halt hielden. Hier scheen wel een vereenigingspunt te zijn , daar onderscheidene korpsen mede opkwamen en bij denzelfden hollen weg staan
bleven. De generaal Mortier , die de 1ste divisie kommandeerde , stapte hier in eene calèche , en stelde zich
aan het hoofd der kolonne. Wij rukten in sections op , terwijl het geschut en eenige gensd'armes den trein sloten.

Ons leger, destijds op 60,000 man begroot , rigtte den marsch op Lauban. Wij kwamen zeer langzaam vooruit , daar wij den hoofdweg niet volgden , en langs ongebaande wegen en afgelegen dorpen naar de stad trokken. Hierdoor was het bij afwisseling van sections in drie gelederen en omgekeerd ; bovendien was het gedurig halt , en naauwelijks had men het geweer afgezet en was men op den ransel gezeten , of 't was weder : " Sta op , voorwaarts !" Zoo werd het avond , en toen de duisternis inviel , van een zwaren regen vergezeld , die den hollen weg schier onbegaanbaar maakte , ging het den slakkengang,

- 112-

Morrende ging het zoo vooruit. Het gedurig halt houden werd toegeschreven aan de artillerieparken , die dwars door onze route moesten passeeren. Of dit werkelijk het geval was zal ik niet beslissen ; want ieder had genoeg om op ziehzelven te letten , wilde hij niet in den slijk te land komen. Doornat en afgemat geraakte ik op een der halten in slaap , nog met een stuk kommiesbrood in den mond , zoodat ik , het "debout " niet hoorende , met een gevoeligen
kolfstoot gewekt werd.


Het was nog stikdonker toen wij eindelijk weder
een dorp bereikten. Ik sloop uit dé gelederen en bezocht de eene woning na de andere ; maar er was nergcns voorraad te vinden , daar voorafgaande krijgsmakkers reeds eene naauwkeurige visitatie gehouden hadden. Nu zoo eenigen tijd op goed geluk rondgedwaald te hebben , ontmoette ik een soldaat onzer compagnie , Koke genaamd ; die het fortuin evenmin als mij gediend had. Wij kwamen tot het besluit om in eene nabijgelegene schuur eenige rust te nemen.  Zoo gezegd zoo gedaan ; wij smeten de ransels in
een hoek , kropen in het hooi en vielen welhaast in diepen slaap.


Met het krieken van den dag stonden wij op , en
maakten ons gereed om. ons korps met verdubbelde pas achterop te komen. Dit plan viel echter in duigen , door de aankomst van nog drie tirailleurs uit onze compagnie, die even als wij "afgedwaald" waren. In plaats van op te rukken zetteden wij ons bij elkander neder , en ieder begon zijn wedervaren te vertellen. Vertellingen, waarin geleden honger en dorst 

- 118-

wel de hoofdrol speelden en tot resultaat hadden , dat er eenparig besloten werd , de maag eerst te vullen , voordat wij het leger volgden , en tot dat einde den boer te gaan wekken , in wiens schuur wij geslapen hadden , en hem eens goed te doen opschaffen.  Hier waren "wij echter zoo welkom als een vos in het hoenderhok. Ieder zag ons met een zuur gezigt aan , en men had ons als ongenoodigde gasten wel gaarne achter de deur gezet. Maar wij , die ook op geen vriendelijken morgengroet gerekend hadden , letten er weinig op , en tegen wil en dank moesten de huis-
lieden de marmite of kookketel , die een van ons bij zich had , met aardappelen vullen. De boer nam echter de vrijheid die van zijns buurmans akker te gaan halen.

Om te zeggen dat wij een overheerlijken maaltijd deden , zou wat overdreven zijn , maar hij bevredigde toch onze behoefte , en dat was voor het oogenblik reeds veel. Toen de maag tot rust gebragt was , stopten wij de pijpen en rookten die op ons gemak niet alleen , maar nog twee of drie daarenboven ; want zoo vrij te zijn als wij nu waren , beviel ons bijzonder. Eindelijk werd er goedgevonden om op te marcheren.

Dan tusschen besluiten en doen ligt soms. eene wijde ruimte , en zoo duurde het ook nog aleenigen tijd eer wij aftrokken. Wij vorderden  trouwens weinig , want niemand dreef ons tot spoed aan en de een had over den ander niets te bevelen.   De eene boerenwoning na de andere werd achtervolgens bezocht , maar de scherven van potten en
pannen en andere teekenen bewezen overal , dat men ons : reeds voor geweest was. Dit wederhield ons 

- 114-

 

echter niet om hierin toch op ons gemak plaats te nemen', en de brand in de pijpen te steken ; terwijl wij meer redeneerden over de plaats waar het korps zich wel zou bevinden , dan wel lust toonden om het spoe-
dig op te zoeken , waarom het gezwegen ? Dat vrije leven beviel ons - al bekroop ons soms de gedachte , hoe onze kapitein het zou opnemen , wanneer wij ons weder in de gelederen voegden.


Eindelijk toch gingen wij op marsch , en bereikten
de plaats waar ons korps bivouac gehouden had , zoo als wij uit de uitgebrande vuren afleiden konden. Wij waren dus op den goeden weg , en in plaats dat wij ons spoedden om dien te volgen , scheen het bewustzijn daarvan genoeg te wezen ; want er werd geen de minste haast gemaakt , en het ging weder van den eenen boer op den ander. Op de laatste hoeve in het dorp hielden wij halt , ofschoon de dag
nog niet ten einde was , en bij den boer alles was weggeroofd en de ledige schotels op de tafel , alsmede de geopende kasten toonden , hoe slecht het met den voorraad gesteld was. Wij besloten echter te blijven. Aardappelen , die de boeren in Saxen met schil en al op tafel brengen en met zout er bij eten , zouden toch nog wel op te sporen zijn. En zoo was het ook. Wij aten op ons gemak , en hadden den boer bevolen , om een ladder tegen zijnen
hooiberg te plaatsen , opdat , wanneer er soms troepen mogten voorbij komen , wij ons schielijk verbergen
konden.


Den volgenden ochtend Zondag 22 Augustus , 
namen wij weder den marsch aan , en hadden weldra


-115-

Lauban , eene grensstad , bereikt , waar elk maar eenigzins geschikt lokaal met gewonden als opgevuld was.


Wij trokken , na eene korte rust verder , den ; weg naar Löwenberg inslaande , en waren op Silezisch grond-
gebied. --- Nog maar weinige minuten hadden wij dien weg gehouden , of er kwamen ons eenige wagens met geblesseerden tegen waaronder vele Hollanders. Wij vernamen van hen , dat de garde-regimenten reeds te Löwenberg waren. Op onze vraag , of zij dachten dat wij om ons achterblijven het niet zwaar te verantwoorden zouden hebben , ontvingen wij het geruststellend antwoord , dat zij wenschten in onze plaats te zijn , en zij voegden er den raad bij , dat wij op de route blijven en onze wapens niet wegwerpen moesten.

Toen zij ons hadden verlaten hielden wij halt , daar wij nu zoo groote haast niet meer noodig oordeelden.

Wij legden de ransels af , gingen aan den voet van een heuvel zitten en staken de pijpen aan , waarbij de veldflesch rondging. Op eens komt een officier den weg afrijden en wijst ons met zijnen degen den weg naar Löwenberg aan. Zonder er een woord bij te voegen , gaf hij zijn paard de sporen , en was welhaast uit ons gezigt.

Ik kan niet zeggen dat deze aanwijzing ons meer spoed deed maken. Naar onze berekening waren wij nog 4 uur van de stad , en wij besloten in het dorpje , waarvan wij de torenspits in het gezigt hadden, nachtkwartier te gaan houden.    Dit plaatsje was Themensdorf gelijk wij in den aan den weg gelegen herberg hoorden , toen wij naar de woning van den 

- 116-

schout vernamen , wien wij verzoeken wilden , ons een kwartier aan te wijzen. De man gaf ons twee billetten , waardoor Koke en ik bij eene weduwe , en de drie anderen op eene hoeve nabij de route , hunnen intrek konden nemen.


Zoodra waren Koke en ik de stube niet binnen
getreden , of eenige snorrende spinnewielen stonden op eens stil , en toen wij ons billet vertoonden , trad er een oud vrouwtje uit den kring , en zeide , ons de hand reikende : " Sind sie mir Willcommen !"


Dat woord klonk vriendelijk in onze ooren , maar het was veelal niets meer dan een spreekwijze , zoo als ons in Saxen al dikwerf was voorgekomen. Hier echter toonde de daad dat het woord wel gemeend was ; want wij werden terstond door het talrijke gezin omringd , en de een nam ons den ransel , de andere het geweer en een derde de patroontasch af , en plaatsten die in een hoek der kamer ; middelerwijl was de vrouw des huizes reeds voor den pot beginnen te zorgen.  Toen de maaltijd geëindigd was , hadden wij nog zeer goed Lüwenberg kunnen bereiken en ons bij ons korps vervoegen ; maar het kwam niet in bedenking om voor den volgenden dag op te marcheren. Vroeg-
tijdig lieten wij ons leger spreiden , dat wil zeggen, er werden eenige bossen stroo aangesleept , en , zoo als gewoonlijk in Saxen gedaan word , in de stube nedergelegd ; de ransel moest dus tot hoofdkussen en de kapot tot deken verstrekken.

Hoe lang wij in diepe rust op dit dons van een wel lang gelegen hadden , herinner ik mij niet meer

- 117 -

maar wel , hoe onzacht wij gewekt werden , en hoe zeer wij verschrikten , toen de zoon des huizes op een ontstelden toon ons toeriep : " dat wij ons verbergen moesten, dewijl er in het dorp , aan de route geplunderd werd. "Daar hij ons echter echter niet verzekeren kon of het Kozakken of Franschen waren , zoo vonden wij het beter om niet , volgens zijn raad , op den hooiberg te vluchten , maar ons op heuvel achter de woning die met kool beplant was te verbergen , afwachting der nadere berigten , die hij ons beloofde te zullen brengen.


Een geruime tijd zaten wij hier
met het geladen geweer in de arm. Een aanhoudend en verward geschreeuw klonk in onze angstig luisterende ooren , en , hoe wij ons gezigt scherpten , door de duisternis konden wij niets onderscheiden. Eindelijk kwam de boer met de tijding terug , dat het dezelfde Franzosische   
armee was , die voor twee dagen doorgetrokken was. Hierdoor gerustgesteld legden wij ons weder op het stroo neder en brachten de nacht ongestoord ten einde.

 

Den volgende morgen verlieten wij met het krieken van de dag de gastvrije woning , en zochten het kwartier onzer reisbroeders op ; bevreesd dat zij , zoo nabij de route gelegerd , outdekt en opgeligt konden zijn Tot onze vreugde waren zij er echter goed afgekomen ; maar hadden vrij wat angst uitgestaan , daar zij op een hooiberg gevlugt waren , waarvan gedurig fourage voor de kavallerie werd afgehaald , zoodat zij ieder oogenblik vreesden ontdekt te zullen
worden.

- 118-

Van tijd tot tijd trokken er nog troepen door. Wat zouden wij doen ? Was ons regiment mede gepasseerd of niet ? Moesten wij het aan de route afwachten voortrukken of terugmarcheren ? De een wilde dit , de ander dat ; maar de meerderheid besliste , om tot den anderen dag te wachten met een besluit te nemen. Ook was de route zoo vol militairen , dat men eenen moeijelijken marsch te gemoet zag. Dit laatste was echter niets dan een voorwendsel , uitgelokt door het vrije en gemakkelijke leven , dat wij te zamen de laatste dagen geleid hadden. De teerling was alzoo geworpen , en wij keerden naar onze kwartieren terug ; wij werden door de weduwe even gastvrij als vroeger
ontvangen. 


Ik schreef alstoen aan mijne ouders , en deed daarbij
voor zooveel de voorzigtigheid het veroorloofde , een ver-
haal van mijnen toestand en van den plotselingen terugmarsch der armee , waarvan ik toen de reden niet be- vroeden kon , eene reden die wel lag aan de vorderingen door de Bondgenooten in Saxen gemaakt en waardoor Dresden bedreigd werd , hetgeen Napoleon deed besluiten om Macdonald tegenover Blucher te laten , en met de gardes , alsmede de divisiën Neij , Marmont en Latour Maubourg , uit Löwenberg te rukken , ten einde Dresden te dekken. Spoed was dus noodig en in 3 dagen lagen de legerbenden met het geschut , een alzoo nooit uitgevoerden marsch , in 35 uren af.  den 24sten Augustus zouden ook wij den aftogt blazen , dat wij nu rustig doen konden , daar wij ons als tusschen twee Franschen legers bevonden , waarvan het eene onder den Keizer reeds boven Görlitz , en

-119 -

het andere onder Macdonald , aan de Katzbach , in Sileziën , stond.
Het “
Leben sie wol " klonk wederzijds regt harte-


lijk , toen wij van de goedhartige weduwe en haar gezin afscheid namen. Wij verlieten Themensdorf , om het , zoo wij meenden , nimmer weder te zien.

-ooOoo--


HOOFDSTUK XIV.

••

Vertrek naar Lauban. Ontmoeting in Schreibersdorf. Gevangen , Ont-
snapping , Kwartier bij een kleêrmaker. Het verzoek. Zotte positie.
Kapitulatie. Geweigerde en genomene belooning. Eene dorpsdeputatie.
Verhaast vertrek. Onrustige nacht. Onwelkome gasten. Kwade 
doch welkome geruchten , Besluit tot desertie. De huzaar.

••

 


Wij vervolgden onzen weg op het spoor dat de armee gelaten had , eene route waarop wij tot, Lauban toe niets , dan eenige transportwagens voor Löwenberg bestemd , tegenkwamen. In het gezigt der stad verlieten wij den weg en sloegen een zijpad in , dat.naar eene hoeve geleidde. Hier lieten wij ons wat aardappelen opschaffen , en hoewel ze ons in grandtenue werden voorgezet smaakten ze goed , en met den pijp in den mond vervolgden wij onzen marsch
op Lauban. In deze stad hielden wij ons niet langer op dan noodig was , om onze brieven aan het postkantoor af te geven en eenig brood te koopen. 

Wij trokken alzoo Saxen weder binnen. Schreibersdorf was de eerste plaats waar wij rust meenden te houden , tot welk einde wij de eerste woning de beste binnentraden. Naauwelijks waren de ransels afgelegd , of er kwamen meerdere gasten , wier verschijning ons alles behalve welkom was. Twee officieren namelijk volgden ons , op den voet , en joegen ons hals over hoofd de deur weder uit , ons toesnaauwende “ dat 



-
121 -

de garde-regimenten zich reeds te Dresden bevonden , en dat wij . . . . nog bij de boeren ons hof maakten!" Twee onzer werden onmiddelijk door hen bij den kraag gevat. terwijl wij overigen door eenige onderofficieren omringd en gezamentlijk ingedeeld werden bij het escorte dat eenige koeijen en schapen tot bedekking diende.

Wij waren zeker bespied toen wij door het geboomte gingen , en , lachte de boer hartelijk dat hij zoo op eens van zijne gasten bevrijd was , wij waren niet zeer wel te moede te midden der soldaten ; daar wij begrepen , dat als de plaats der bestemming bereikt was , ons achterblijven niet zeer gemakkelijk te verantwoorden zou zijn , het eenige dat er op zat was het escorte te ontsnappen. Van elkander afgescheiden konden wij blik noch woord wisselen ; maar het bleek welras dat onze gedachten en voornemens eenerlei waren : want zoodra was niet de kans gunstig en
boden de boomgroepen aan de krommingen van den weg de gelegenheid aan , of de een na den ander wipte uit de gelederen en verdween , onder het vloeken der soldaten , die ons niet te ver durfden vervolgen , daar zij moeite genoeg hadden om het vee bijeen te houden.

Zoodra wij in veiligheid waren , strekte eene groote pachthoeve ons tot punt van vereeniging. Die gehoopt had daar eenige verversching te vinden , vond zich bedrogen ; want het huis was als uitgestorven. geene levende ziel was er te vinden in de vertrekken die wij doorliepen , boven welker deuren met groote krijtletters geschreven stond , welk bureau er in gehouden was , en de menigte hier en daar in het


-122 –

rond verspreide papieren leverden daar nog de overvloedige bewijzen van op.  Een tweede bezoek in het dorp gaf geene betere uitkomst , maar een derde huis was bewoond , en wel door een kleêrmaker. Deze man was dan ook de
eenige bewoner , daar zijne vrouw en kinderen met het weinige vee in het nabijgelegen bosch gevlugt waren. Wij kozen hier ons nachtkwartier , en , ofschoon e arme drommel niets dan een schraal melksoepje geven kon , waren wij tevreden.

Wij bragten een rustigen nacht door , en den volgenden ochtend had niemand lust om op te breken , daar wij ons te zeer op ons gemak gevoelden. Men zou gedacht hebben , dat wij een zeker regt op dit verblijf hadden , daar wij van tijd tot tijd aankomende achterblijvers militairement afwezen , als dit ons kwartier zijnde. Ons verblijf was onzen hospes alzoo nog een geluk bij een ongeluk , daar het den man voor eene geheele uitkleeding bewaarde.

Uit deze bezoeken , bleek het ons , dat wij de eenige achterblijvers niet waren op dit dorp. Ons gedrag scheen vertrouwen in geboezemd te hebben , althans er kwam een buurman van onzen hospes met het verzoek , of wij hem zijn afgenomen paard wilden terugbezorgen , waarvoor hij ons ter belooning een goeden voorraad proviand beloofde.    Terstond waren wij hiertoe gereed ; die belofte was te schoon , om niet oogenblikkelijk aan het verzoek te voldoen , Wij lieten ons door den boer de hoeve aanwijzen , waar de stroopers zich ophielden , en wij verrasten hen juist in de aangename bezigheid om een

- 123 -

jong zwijntje aan het spit te steken. Wij vorderden het paard terug , en gaven tevens aan deze snaken , kleine tamboersjongens , vrij ernstig te kennen , dat deze hunne handelwijs te ver ging. 

Of onze boetpredikatie hun wat ongepast in de ooren klonk , of dat zij ons niet geregtigd achten om hun de wet te stellen ; zij waren althans niet gezind om ons te gehoorzamen , ja er volgde een formeel verzet. De jongens verlieten eensklaps het spit , en snelden naar de woning , vanwaar zij terugkeerden met geweren gewapend , die zij bij toeval of van kreupele militairen waren meester geworden. Op hoogen toon bevalen zij ons toen om heen te gaan en hen met rust te laten , en , om dit bevel kracht bij te zetten , hielden zij ons de bajonet voor.

Onze positie moet in dit moment al zeer belagchelijk om te aanschouwen geweest zijn. Daar , midden op de werf , vijf ongewapende mannen , tegenover een troep jongens , blootshoofds en ten halve gekleed , met geweren gewapend , die niet voor hunne krachten berekend waren , maar die zij toch tot vuren gereedhielden. –--- Tegen wil en dank moesten wij onze minderheid erkennen , en oordeelden het best , wat water in den wijn te doen en de bevelende toon van zoo even , in een verzoekende te doen overgaan.  Niemand onzer toch gevoelde lust , om voor een boerenknol een stukje lood in ruil te erlangen , en dat deze jongens de daad aan het voornemen zouden paren , daarvan waren wij te wel bewust. Ongelukkig de boer die dit kleine bandietenvolk op den vloer kreeg , want de ruwste soldaat was , bij hen vergele-


-
124 -

ken , in het plunderen een kind , daar zij tot alles in staat waren en om het leven of den dood van een mensch zich niet meer bekommerden , dan over de zwijnen en hoenders die in hunne roofzieke handen vielen.
Droevig is het te zeggen , maar in de jeugdige harten van zoovelen dezer knapen , scheen wel alle men
schelijk gevoel verstikt en uitgerukt te worden , daar  de tooneelen die zij dagelijks voor oog en hadden, hen met alles gemeenzaam maakten , zonder dat zij er nog de gevolgen van konden berekenen. Wij waren dus niet dolzinnig genoeg om ons tegen hen te verzetten , maar oordeelden het beter tot eene kapitulatie over te gaan. Deze werd dan ook door middel van eene flesch brandewijn gesloten , en wij hadden de voldoening dat de boer voor dien prijs
zijn paard terug bekwam.

In ons kwartier teruggekeerd ontvingen wij mede een snaps ; maar hoe welkom die ook was , wij hadden volgens belofte iets meer en iets beters te wachten ; het eene oogenblik echter verliep na het andere , zonder dat er iets te schaffen kwam , er werd alzoo uit ons midden eene deputatie naar den boer afgezonden , om hem aan zijne belofte te herinneren. De boer ontkende die niet alleen , maar hij weigerde tevens iets  af te geven , zoodat de afgevaardigden hunne volmagt gebruikten en huisvisitatie hielden , die eenen goeden voorraad proviand opleverde. Had de man zijn woord gehouden , hij had ons dien maatregel bespaard en was er voor zichzelven beter bij gevaren , daar een eenvoudig maal ons bevredigd zou hebben.

Toen de maaltijd geëindigd was , en hij onzen niet 

- 125-

zeer geurigen tabak nadampten , kwamen drie met stokken gewapenden en in schapenhuiden gekleedde boeren de kamer binnen. De oudste maakte zich als de schout van het dorp bekend , en onder een duchtig stampen met zijn stok op den vloer , als om de bedreiging kracht bij te zetten , gelastte hij ons terstond het dorp te verlaten , wanneer wij daartoe niet genoodzaakt wilden worden.

Wij , die in het eerst niets van deze verschijning begrepen , waren, op het zien van het wonderlijk kostuum dezer overheidspersonen , in een schaterend lagchen uitgebarsten , dat niet verminderde toen het ons duidelijk werd , wat zij verlangden.

De schout ziende dat wij bedaard bleven zitten , stoof , na nog eens zijne bedreiging onder het stokkenmuzijk herhaald te hebben , de kamer uit , aan welker ingang zich kort daarop een aantal met stokken en hooivorken gewapende boeren vertoonde. Toen wij vernamen dat het geheele huis op deze manier omsingeld was , oordeelden wij het allezins geraden , ons kwartier te verlaten. Het was een wijs besluit geweest , want , zoo als wij later hoorden , daar er eeboer door een militair gewond was , zouden de dorpelingen uit weêrwraak wel tot het uiterste hebben kunnen overgaan.

Aan het einde van dit zeer uitgestrekte dorp hielden wij echter weder halt , en hoewel wij op deze hoeve reeds twee bij Lüwenberg ligt geblesseerde Hollanders vonden , werden wij door den bewoner nog al vriendelijk ontvangen. De ontmoeting van landgenooten , gelijk te denken is , zette ons niet tot voortrei

-- 126-

zen aan ; wij bragten een regt aangenamen avond door. 

Den volgenden ochtend trokken wij verder. doch verlieten , om veilig te zijn , de groote route op Görlitz , en sloegen een binnenweg in. Wij bereikten ons oogmerk daarmede ten volle ; daar wij op de dorpen die wij passeerden geene transporten of troepen ontmoetten. Den nacht echter zouden wij niet rustig doorbrengen. Een groot rumoer deed ons van het stroleger , dat wij bij een boer bekomen hadden , vlugten ; doch daar de trein bagagewagens en hun escorte , welke dit rumoer veroorzaakten , niet lang in het dorp stil hielden , konden wij welhaast ons leger weder opzoeken.

Hier wachtte onze rust echter een
andere stoornis , daar er op eene hoogst ongevallige wijze aan onze teenen geknabbeld werd. In de veronderstelling dat het ratten waren , zochten wij op tafels en banken veiliger ligplaats ; maar als wij geweten hadden, dat het slechts marmotten waren die ons op deze manier liefkoosden , wij hadden het stroo niet voor de harde planken verwisseld.

Wij namen des morgens onzen marsch op Görlitz aan , doch op 2 uren afstands van de stad , maakten wij weder halt op eene groote pachthoeve. Hier werd na een korten tijd ons gezelschap door aankomende vlugtelingen zoodanig vergroot , dat onze boer , toen het 's avonds tien uren was , om de lange houten tafel , die onafscheidelijk aan de woonvertrekken dezer hoeven is , wel twintig man kon tellen , die met arendsoogen rondzagen en met de klingen op de tafel sloegen , opdat er maar spoedig opgedragen zou worden. De boer en zijn gezin waren als 't ware voor 't hoofd

- 127-

geslagen over zooveel gasten ; en geen wonder , wel was er een begin maar geen einde aan het opdisschen te zien ; want de, meesten van deze verwarde hoop , die dagen achtereen niets dan veldgewas gegeten en meer kruid dan brood geroken hadden krompen van den honger als in een. Een zondvloed van vloeken en verwenschingen was , in alle mogelijke talen reeds over het hoofd van den boer uitgestort , aleer melk soep en brood de stormachtige gemoederen wat tot ruste bragt.

Het was hier een zonderling gezelschap , uit militairen van allerlei wapens bestaande. De meesten hadden geen geweer of ransel ; er waren artilleristen en kavaleristen zonder paarden , die zij in de batailles verloren hadden , Uit hunne gesprekken konden wij wel afleiden , dat voor Napoleon in Silezië de kans zoo goed als verkeken was , en dat de Pruissen ons digt op de hielen waren.

Een en ander deed ons besluiten , des ochtends vroeg de hoeve en dit gezelschap te verlaten , met oogmerk om boven of beneden rlitz de Neisse over te trekken , en dus de stad , waarover de gansche armee hare retraite maakte , te ontwijken. Een boer wees ons tot dit einde den weg aan , maar het zij wij den man niet begrepen , of dat hij ons een verkeerd pad had doen inslaan , wij vonden geene gelegenheid om over de rivier te komen. Er werd besloten in een nabij gelegen gehucht kwartier te zoeken , hetgeen gelukte , ofschoon wij niet gezamentlijk onder dak kwamen , maar ons in twee partijen moesten verdeelen.

In den namiddag zaten wij op een heuvel buiten het gehucht en bespraken te zamen wat ons te doen


- 128 -

zou vallen , want het kanongedonder dat zich den geheelen ochtend had laten hooren , en gedurig nader scheen te komen , gaf ons de overtuiging dat de rol die wij speelden spoedig geëindigd zou zijn. En ondanks die overtuiging , en het besef dat ieder oogenblik toevens als verloren was , bleef het bij overleggen en kwam het tot geen bepaald plan. Ik voor mij , liet mij ook niet bepaald uit , wat mijn voornemen was , ofschoon ik reeds het plan gevormd had , mij geheel van de armee af te scheiden ; maar ik wilde dit niet in groot gezelschap doen , daar dit mij voorkwam zeker te moeten mislukken. Toen ik dus met mijn kameraad Koke op het strooleger , op den dorschvloer ncderlag , begon ik op nieuw over de zaak te sprekcn , en na rijp beraad besloten wij den stap met ons beide te wagen en te deserteren , en, wat er ook gebeuren mogt , steeds bij elkander te blijven.

Rustig bragten wij den nacht door , maar tegen den morgen werd ik plotseling door eenig gerucht wakker; het werd mij , al luisterende , duidelijk dat er een kavallerist in huis moest zijn , althans ik kon de het gekletter van een sabel onderscheiden , en het gedruis van een paar zwaar gestevelde voeten. Ik wekte mijn kameraad en hij deelde dadelijk in mijne overtuiging.  Wij hielden ons stil , in de hoop dat de boer ons daar zijn verzwijgen zou. Op eens echter werden de deuren van de dorschschuur opengerukt en een huzaar stuift naar binnen. Wij vlogen tegelijk overeind , en de huzaar , zijn pallas trekkende , zet mij die op de borst , roepende : " voor mij , Pruis ! Franzoos kapoet !" Ik
wist op dit oogenblik van schrik niet , wat ik doen 

- 129-

zou ; want hoewel hij mij die woorden in 't hoogduitsch toevoegde , was dat met zoo vreemden tongval , dat ik aan eene list geloofde. Terwijl ik nog twijfelde , gaf de huzaar mij met de ongewapende hand, eenen stomp op de borst en zeide in goed fransch , dat hij een Elzasser was en als wij den Keizer diende , en ons daarom gelastte terstond naar Görlitz op te rukkcn , daar wij anders in de handen der Kozakken zouden vallen ," en even onverwachts als
hij gekomen was , verliet hij ons weder.

Hoe onaangenaam deze morgengroete ook was , kwamen wij toch met den schrik vrij , doch niet zonder schade ; want toen ik de kapot , die ik des nachts als deken omsloeg , wilde aantrekken ; ontdekte ik dat de spitsboef --- want daarvoor hielden wij hem nu ---- eene goede vangst gedaan had , daar ik mijn horologie miste , dat aan een koordje aan mijne kapot gehangen had. Hieraan had ik ongetwijfeld den stomp te danken gehad , daar hij dienen moest om hem het uurwerk in handen te spelen , gelukkig was het slechts van zilver en dus het , gemis grooter dan het verlies.
Mijn kameraad was nog meer vergramd dan ik , over deze brutale behandeling , en zijn geweer nemende , wilde hij er een goed schot op plaatsen en den spitsboef het licht uitblazen. Hij wist hem echter te beduiden , dat dit , in onze omstandigheden niet raadzaam was. Bovendien zou zijne poging ook vruchteloos geweest zijn , daar de huzaar , na ook onze makkers even onzacht uit hun verblijf gedreven te hebben , onmiddelijk vertrokken was.


--ooOoo--


HOOFDSTUK XV.

••

In den val. Görlitz de verzamelplaats der achterblijvers , De omgeworpen
hut. Plan tot ontvlugten. Het gelukt. Voorzorgen die de een goed
doch de ander nutteloos keurt , en waarvan toch het noodzakelijke
blijkt. Een vreemd kostuum. De goede maar bevreesde gastheer.
Scheiding. Kozakken. Hoe de een lacht en de ander boos wordt ,
maar toch de vriendschap bestaan blijft. Terugkeer naar de
pachthoeve. Angst. De ruiling. Nieuwe plannen. Vertrek.

••

GezamentIijk zetteden wij de reis voort , langs een  heuvelachtigen grond , dien zoowel als de hier en daar verspreidde boomgroepen ons zeer te stade kwam , om ons pad te verbergen. Wij besloten het , dus gedekt , te beproeven om de rivier boven de stad over te komen. Een goed kwartier uurs waren wij alzoo voortgegaan , toen wij aan eene kromming en een diepen hollen weg kwamen. Wat wij echter als een goed geluk rekenden , strekte om ons den wolf die wij ontkomen waren , als in den muil te loopen , want wij stootten op een groot transport achterblijvers zoo als wij , die zwaar geëscorteerd werden. Op eens waren wij ingepakt en werden naar de hoofdwacht geleid , die een kwartier uur van de voorstad van Görlitz gebivouacqueerd lag. Hier vonden wij den bevelhebber aan een tafel zittende , waarop eenige ontrolde papieren lagen ; toen wij aan hem voorgesteld werden
gaf hij last ons naar Görlitz te transporteren. Dit geschiedde echter niet , of liever het was niet noodig , 

-131-

daar het bivouac zich tot aan de stad uitstrekte. Wij bevonden ons hier in het midden van een' ontzettenden drom van voltigeurs , linietroepen en ruiterij , artilleristen met hunne kanonnen , en eene menigte bagagie- en ammunitiewagens en treinpaarden. Voor het grootste deel bestonden deze troepen uit afdeelingen van verslagen korpsen en deserteurs , en het meerendeel zag er zeer smerig en vermoeid uit. Met groote moeite vonden wij een plekje , waar wij onze ransels konden afleggen. 

Alle onze vooruitzigtcn waren alzoo de bodem ingeslagcn , en wij zoo goed als gevangen ; doch de vrijheid , die wij alrede zoovele dagen genoten hadden , drong ons aan , om ze op nieuw te erlangen. Wij besloten den besten weg op te sporen om daartoe te geraken ; ieder van ons zou , totdat einde , in verschillende rigtingen het bivouac doorkruisen. Het resultaat dier onderzoekingen was echter niet gunstig. Het geheele kamp was zoodanig door posten bezet , dat het doorkomen ten eenenmale onmogelijk was. 


Ik strekte mijn onderzoek tot voor de poorten der stad uit , waar een hoofdofficier op een stoel zat , om een wakend oog te houden , zoodat hierdoor geen enkel militair kon ontsnappen. Die korpsen echter , die met hunne bevelhebbers aan het hoofd eenen geregelden aftogt deden , hadden vrijen doortogt. Voor ons was dus dezen weg gesloten , en er bestond even zoo min kans om aan de rivier te kunnen komen.


Görlitz was door den franschen generaal tot het punt gekozen , om al wat vlugtende was , zich op nieuw te doen vereenigen

-132 -

Wij moesten ons dus geduldig in ons lot schikken. --- In navolging van anderen begonnen wij voor ons verblijf een afhellend dak te maken , waartoe de deuren en planken van de weinige huizen en stallen , die van de voorstad overgebleven waren , dienen moesten. Wij werden bovendien nog eenig vlas tot ligging meester , en stroo genoeg om onze hut te kunnen overdekken. Onze toestand was hierdoor vrij dragelijk , en daar een der onzen zijn kook-
ketel behouden had , zoo konden wij zelven onze spijs toebereiden. Wij begonnen met een aardappelensoepje ;
doch omdat te verkrijgen , moesten wij eerst eenige grosschen aan een jongen uitkeeren , om de aardappels daartoe van een akker te stroopen.


Het doortrekken van troepen bleef bij afwisseling 
voortduren tot den avond , toen het gewoel allengs afnam , en de nacht dit verwarde militaire tooneel 
eindelijk met zijn sluijer bedekte. Het duurde lang eer ik insluimerde , daar het welluidend gezang van eenige Elzasser huzaren mij den slaap uit de oogen hield. Toen zij zwegen en ik mij voor goed aan den slaap had overgegeven , werd ik wakker gemaakt door het weder doortrekken van troepen.

Van tijd tot tijd herhaalde zich dit , en als dit niet het geval was , konden wij toch geene rust genieten , daar wij gedurig moesten opstaan om ons eigendom te verdedigen tegen de treinpaarden , die het stroo van ons dak kwamen
opvreten , en met den knuppel verdreven moesten worden. De geweldîge honger deed de arme dieren telkens terugkomen , en wel eenmaal met zulk eene drift , dat zij ons gansche gebouw , hetwelk op geene


- 13
3-

zeer hechte zuilen rustte , deden omstorten , en ons , tirailleurs , onder' de puinen als begroeven.

Zonder eenig letsel kropen wij al spoedig van onder de planken en het stroo , en zaten op de ruine van onze hut over onze onaangenaame positie te spreken , daar de lust tot slapen nu geheel verdwenen was.


Wij overlegden wat wel het beste in ons geval zijn zou te ontvlugten was zeker het raadzaamste , daar wij vooruitzagen dat , zoodra het dag was , er eene organisatie zou plaats hebben , en wij , de eenige tirailleurs onder de massa , daar wij een Franschman , die mede tot ons wapen behoorde , hadden laten loopen , zeker geene gemakkelijke. verantwoording zouden hebben.


De dag was dan ook ter naauwernood aan de 
kimmen gerezen , of wij zagen eenige hoofdofficieren , wier kleeding in geen benijdenswaardigen toestand was , met organiseren eenen aanvang maken. Te gelijker tijd verspreidde zich het gerucht , dat de Kozakken de stad omsingeld hadden. Een en ander deed ons een kort besluit nemen ; wij beseften dat het gewigtig oogenblik daar was. Wij gingen alzoo naar de poort , met oogmerk om , zoodra er een korps aankwam , met het afbreken der sections in de rotten te sluipen , en zoo doende de poort door te komen.

Met veel moeite gelukte dit eindelijk , dewijl de weg door kanonnen en bagagewagens ter wederzijde als versperd was.
Onder een verschrikkelijk gedrang , 
zoodat wij soms van de straat opgeligt werden , kwamen wij de stad door , en het is te verwonderen dat wij met ons vijven steeds bij elkander bleven. Er was


- 134-

nu veel gewonnen ; de benarde toestand , waarin wij een oogenblik te voren verkeerden , was geweken , en wij hadden nu keuze te over , welken weg wij volgen wilden. Wij besloten , de voorstad uit zijnde , ons terstond van de legerkorpsen te verwijderen en links af te gaan.

Nog eer wij een dorp bereikt hadden , zagen wij een geweldigen rook uit Görlitz opgaan , waaruit wij afleiden dat de brug over de Neisse afgebrand werd , en het gros des legers alzoo den overtogt gedaan had.


In het dorp waar wij aankwamen , en waar de meeste huizen de kenteekenen van de verwoestingen des oorlogs droegen , achtten wij ons niet veilig en marcheerden door tot een zeer hoogen , op zich zelven staanden berg , die van den voet tot aan de kruin geheel begroeid was en van welks top men met helder weêr 16 mijlen in den omtrek zien kon. Deze berg wordt de Lausnitzer Weêrwijzer genoemd , om dat de boeren uit zekere teekenen er de veranderingen van het weder aan kunnen opmaken. 

Wij trokken den berg aan de linkerzijde om , en kwamen zoo in een dorp dat nog weinig door het krijgsvolk scheen geleden te hebben. Op eene groote pachthoeve hielden wij halt , en meenden daar veilig te zijn , maar wij hadden slechts even den tijd om ons uit de voeten te maken , daar er een eskadron kavallerie aan kwam rijden , dat ogenblikkelijk afsteeg , en al wat mondbehoeften was medevoerde. 


Zoodat , daar de boer en zijn gezin op hunne komst de vlugt genomen hadden , er voor onzen maaltijd niets overgebleven was , toen wij na het vcrtrek der.

- 135-

ruiters terugkwamen. Hoe aangenaam ons ook eene verkwikking zou geweest zijn , troostten wij ons met beter ,
en mijn kameraad en ik voorzagen ons hier van iets , dat in het vervolg noodzakelijk kon worden. Wij namen namelijk uit de garderobe van den boer , die goed voorzien was , een volledig stel kleederen , zoo dat onze ransels ter naauwernood de nieuwe uitrusting bergen konden. Onze reismakkers , die niet in het gevoelen deelden , dat eene verkleeding zoo ras gevorderd kon worden , beschouwden onze voorzorg als overbodig , en verkozen hunne schouders niet met dien nutteloozen last , zoo als zij het noemden , te bezwaren.

Zoo belast en beladen , trokken wij naar een ander dorp , dat diep in het bosch gelegen was. Daar het reeds duister begon te worden , strekte een der boeren ons tot gids naar den schout , dien wij om huisvesting vragen wilden. Deze bood Koke en mij terstond zijne woning aan , terwijl de anderen door een buurman ovcrgenomen werden. Terwijl wij de eene deur inkwamen , gingen uit eene andere twee kavalleristen met zakken vol brood.

Wij werden zeer vriendelijk ontvangen , en goed onthaald. Na den maaltijd , onder het rooken van, eene pijp , verhaalde de huisheer ons , dat van hier reeds vele soldaten naar Silezie gevlucht waren , en hij beschreef dit als zeer gemakkelijk te volvoeren , ten minste wanneer wij onze uniformen aflegden. 


Doch daar wij dit niet begeerden te doen , voor dat de Pruissische legers in onze nabijheid waren , zoo kon hij ons geen gunstigen uitslag beloven.

- 136 -

Den volgenden morgen , toen wij naar buiten kwamen , zagen wij den dorpskoornmolen vlug ommalen. Dit
bragt Koke , die koornmolenaar van beroep was , en op den molen de Vervanger in Amsterdam het vak geleerd had ; op de gedachte , om zich als knecht bij den molenaar te doen aannemen. Onder het ontbijt trachtte ik hem dit voornemen uit het hoofd te praten ; daar zijn oogmerk wel niet slagen , en het tevens eene verwijdering tusschen ons geven zou , alzoo de boer aan mij geen werk kon verschaffen. De zaak werd dus voorshands uitgesteld , te meer daar wij nog geen plan hadden om onzen goeden boer te verlaten ; daar wij ons hier veilig genoeg achtten.

Wij zochten , na dit besproken te hebben , den dorschvloer op , waar stevige knechten en meiden met al hunne krachten de vlegels door het koorn slingerden.


Wij legden onze pijpen uit den mond , en namen een proefje van dit werk ; maar wij waren alras overtuigd , dat onze handen er vrij verkeerd toestonden.  De pijpen werden dus weêr opgenomen , en terwijl wij het werk aanzagen , schertsten en vermaakten wij ons met de vrolijke dorschers. Ons genoegen werd echter , alras gestoord , daar de pachter geheel ontsteld de hoeve kwam oploopen , en ons " toeriep : " Mijn God , kinderen ! de Kozakken ! Red u !"

Een donderslag had ons op dit oogenblik niet meer kunnen verschrikken dan die uitroep : " de Kozakken !" de Kozakken , zoo algemeen gevreesd door .de Fransche legerbenden , dat zelfs het gerucht hunner nadering reeds voldoende was , om schrik en verwarring te veroorzaken.

-137 -

Dat ook wij door die tijding als voor het hoofd geslagen waren , zal men , onzen toestand in aanmerking genomen , geenzins vreemd vinden. Hoe.gelukkig dat wij de vroeger genoemde voorzorg gebruikt hadden , en wij verzuimden dan ook niet er ons van te bedienen. In een oogenblik was de gardetirailleur in eenen Saxischen boer veranderd. Verbeeldt u , de grove buis van blaauw laken met gladde knoopen ; een lang rood vest , dat zijne beste dagen gehad had , doch nog altijd prijkte met de 22 gladde uitgewerkte knoopen van buitengewone grootte ; de korte lederen
broek en groen fluweelen muts met den met bont omzoomden rand ; en den tirailleur , die bij zijn korps van
niemand te onderscheiden was , zou men ook uit de Saxische boeren niet herkend hebben ; of het moest zijn ,
dat onze ontblootte been en de schoenen niet ontbeeren konden , gelijk de meesten der boeren , daar onze voeten
niet geleerd hadden , door de gewoonte , om over de afgemaaide bouwlanden of stoppels te kunnen gaan.
Hoe bijzonder ik dus mogt gekleed zijn -- want het eene stuk was te naauw , en het andere te ruim --- Koke overtrof mij in alle opzigten. Zijne kleeding bestond uit een zwart damasten vest met gewerkte bloemen een rok zonder kraag en met panden die ver over de helft van zijnen korte lederen broek nederhingen ; terwijl eene gansche rij groote zwarte knoopen het kleedingstuk van boven tot beneden konden sluiten , hetgeen een goed middel tegen de koude opleveren kon. Een vaal , afgesleten mutsje bedekte ten halve zijnen schedel , terwijl een witte das bij zijn schraal , bleek gelaat zonderling afstak. Voeg hierbij een paar


-138-

lange dunne beenen , die bij het korte bovenlijf een wel zonderling figuur opleverden ; en gij zult u kunnen begrijpen dat ik in lagchen uitbarstte , toen ik hem de eerste maal zoo beschouwde. Dit kon ook door de schielijke herschepping veroorzaakt zijn ; maar dat zijn zonderling voorkomen ook anderen in het oog viel , bewees de zoo dikwerf herhaalde vraag , als wij dorpen doorkwamen en de boeren ons met open mond stonden aan te gapen , " Wo komst du her ? Was machst du hier ?"

Maar laat ik mijn verhaal niet vooruitloopen , en keeren wij tot de stube terug , waar wij als Saxische boeren uitgerust voor den pachter stonden , die ons vriendelijk verzocht , zijne hoeve te verlaten ; want als het ontdekt werd dat hij Franschen huisvestte , zou , naar de dagorder der Pruissen , die stiptelijk werd uitgevoerd , de gansche hoeve aan de vlammen opgeofferd worden.


Zeer verheugd was dus de goede man , toen wij
hem verzekerden de reis te zullen aannemen , en hij voorzag ons nog van een hooivork en troffel , om ons des te meer het aanzien van arbeiders te geven.  Zoo toegerust verlieten wij , na een hartelijk afscheid den goeden pachter , en wij waren de koren velden naauwelijks ingegaan , of wij zagen reeds onze reismakkers , de een na den ander , naar ons toekomen. Men had hen hier zeer gemakkelijk voor vogelverschrikkers kunnen houden , want hunne kleeding had daar geen oneer aan gedaan , daar zij niet zoo als wij de noodige voorzorgen genomen hadden , maar door de boeren zoo goed het wilde uitgedoscht waren.

Wij besloten hier van elkander te scheiden , en dat 

-139 -

de eene partij regts de andere links zou gaan : ten gevolge waarvan Koke en ik naar den kant van Görlitz , en de drie anderen de streek van Dresden insloegen.   Met een hartelijken handdruk namen wij afscheid ; immers welligt zouden wij elkander nimmer wederzien.

Koke en ik namen dan de reis naar Görlitz aan ; maar naauwelijks waren wij honderd passen voortgegaan , of er daalde een troep Kozakken van een met hoornen beplanten heuvel in de vlakte neder.
Wij zagen ons verpligt , daar zij op het dorp , dat wij verlaten hadden , toereden , ons in het veld te verbergen. Het was een bijzonder toeval dat wij hemisgegaan waren ; want daar wij met den naasten weg onbekend waren , zoo hadden wij even goed onzen koers naar dien heuvel kunnen nemen en waren dan de lansen te gemoet geloopen.

Dit gevaar ging dus gelukkig voorbij en ongestoord vervolgden wij onzen weg naar een dorp. Hierboven reeds vermelde ik , hoe de boeren ons aangaapten en van het hoofd tot de voeten opnamen , en op hunne vragen kon ik mijn lagchen ter naauwernood bedwingen ; ik moest mij omwenden en Koke laten antwoorden. En dat dit woord niet altijd een waar woord kon zijn , behoef ik wel niet te zeggen ; ofschoon het niet noodig was iets te verklaren , daar onze knevelbaarden en spraak op het eerste oogenblik reeds den deserteur verraden moesten.

Meer dan eens had dit plaats , en ik kon het Koke niet kwalijk nemen , dat hij even zoo dikwerf boos op mij werd , en nog hoor ik hem zeggen : "Als gij dan toch lagchen wilt , dan moest je eens in een


- 140-

spiegel zien , en dan zou het blijken wat lief model je zelfs vertoond."  Dit boos worden liep echter niet zoo hoog , dat wij lang kwade vrienden bleven ; daartoe hadden wij reeds te veel met elkander ondervonden. Wij sloegen daarom schielijk de handen weder te zamen , en beraadslaagden over onze verdere handelwijze , daar de boeren ons met zulke argusoogen aanzagen , en stellig geene huisvesting zouden verleenen. Wij besloten daarom naar den boer 
bij wien wij vroeger verbleven , terug te keeren , en van hem andere kleederen te verzoeken , althans voor Koke , die het meest in het oog liep. 
tot groot verdriet van den pachter traden wij tegen den avond zijne stube weder binnen , en daahij zelfs wel zag , dat wij niet onder dak zouden komen , gelastte hij om ; in de dorschschuur te gaan ;
de eenige plaats waar hij ons veilig achtte. Wij klommen al spoedig de ladder op , staken ons tot over de ooren in het hooi en sliepen tot aan den morgen , toen wij door het opensmijten der poort van de hoeve wakker werden. Ik zag door eene reet deschuur en verschrikte zeer , daar twee Kozakken de werf kwamen oprijden , en het werd ons niet beter te moede , toen zij naar de schuur gingen , de deuren openrukten en fourage haalden. Het angstzweet brak
ons uit , door de vrees dat zij de ladder zouden opstijgen , om eenige hier en daar op het hooi liggende schoven mede te nemen.

Waren wij dus in angst van ontdekt te worden , onze huisheer was het niet minder ; zoodat hij , toen de Kozakken vertrokken waren , ons smeekte en bad 

- 141 -

om hem toch te willen verlaten. Wij hadden medelijden met den man , en waren al te goed met de ellendige gevolgen bekend , die het voor hem kon hebben als wij betrapt werden , dan dat wij niet aan zijn bede zouden voldaan hebben.

Het geschiedde echter onder eene voorwaarde , waarvan het geldelijk voordeel aan zijne zijde was ; hij zou Koke voorzien van eene buis en muts , en ons beiden een goed ontbijt geven ; daartegen kon hij de uniformen en wapens behouden , die wij onder den dorschvloer verborgen hadden.

Een en ander werd ons dadelijk op den hooizolder gebragt , waar wij , om de woning niet in gevaar te brengen , gebleven waren. Onder het ontbijt beraadslaagden wij hoe het best en veiligst weg te komen , en maakten eindelijk het volgende plan. Vooreerst zouden wij op Görlitz en vandaar op Lauban gaan , waar wij ons van andere kleederen voorzien zouden , alsdan wilden wij ons hij den Gereformeerden predikant van Themensdorf vervoegen , en van hem inlichtingen en hulp vragen , om op de geschikste wijze naar Berlijn te komen. Dit plan kwam ons het zekerste voor , want gingen wij op Dresden , dan liepen wij gevaar, door de afwisselende krijgskansen der strijdende par-
tijen ; terwijl , wanneer wij de Pruissische legers in den rug konden houden , er reeds veel gewonnen was.

Toen wij dit plan alzoo vastgesteld hadden , lagen wij de ransels af , en pakten die zaken , waaraan wij behoeften konden krijgen in een doek , en met dezen , aan een boomtak over den rug gedragen , namen wij onzen togt aan.

- 142-

Bijzonder is de omstandigheid dat onze drie kameraden even als wij tot hun kwartier waren teruggekeerd , en dien ochtend ons slechts weinige schreden voeruit waren , zoodat wij nog eens elkander eene goede reis naar het VaderIand konden wenschen.



--ooOoo--



HOOFDSTUK XVI.

••
Weder op weg. Gedurige angst. Görlitz. Het Pruissische leger. Wat
het is te deserteren. Kwartier bij een kuiper. Eene weluitgedachte
ziekte. Onrustige nacht. Kwade tijdingen. Terugtogt der Pruissen.
In het bosch , Schroibersdorf. Vervlogen hoop. De gastvrije kleêr-
maker. De Kozakken. Plundering. Ellendige toestand en droe-
vige vooruitzigten.
••

 

Onze kameraden gingen even als den vorigen dag den kant uit van Dresden , wij , zoo als ik vermelde , op Görlitz. Wij waren echter genoodzaakt uit arendsoogen rond te zien , en moesten ons gedurig in het korenveld of achter een huis of boom voor de omzwervende Kozakken verbergen ; meer dan eens moesten wij daardoor zelfs een omweg maken , en geraakten nu en dan het spoor bijster.

Onze toestand was verre van benijdenswaardig.     Wij hadden tot heden nog zoo vele zorgen niet gehad. Dreigde de ontmoeting van Kozakken ons met eene uitplundering , wel treurig was dit lot , maar wat zou het wezen , wanneer wij eens in handen der Franschen geraakten ? Dat dit laatste niet het geval kon worden , daaromtrent waren wij zoo zeker niet. De militaire wet eischte de doodstraf over deserteurs ; en wat waren wij anders ? Geene genade zou ons beschoren zijn , wanneer wij ontdekt werden , en men behoefde niet veel wijsheid te bezitten om te zien , wie er in
dit Saxische kleed staken.

- 144 -

Met een onbeschrijfelijk genoegen ontwaarden wij eindelijk de torenspitsen van Görlitz. Toen wij aan de Neisse kwamen trok het Pruissische leger onder Blucher , juist de rivier over. Men had daartoe , daar de Franschen bij hunne retraite de brug afgebrand hadden , twee bruggen aan gene zijde der stad gelegd , waarvan de eene op palen , de andere op lederen booten rustte.

Wij zetten ons , daar er vooreerst aan geen overkomen te denken viel , op een heuvel aan den oever neder , en zagen het aan , hoe , met welluidende musijk aan het hoofd , de goed geordende troepen , in digt opgesloten kolonnes , de bruggen overtrokken. Daar er geen einde aan die massa scheen te komen , besloot ik voor eenige oogenblikken naar de stad te gaan.

Werd ik in
Görlitz , bij de retraite der Franschen letterlijk van de straat geligt , ik kon ze ook nu bijna niet doorkomen , en met veel moeite wist ik bij de poort in eenen winkel te dringen , en wat tabak te koopen. Ik keerde naar mijnen lotgenoot terug , die mij op zijne beurt op eenige pruimen vergastte , welke hij , terwijl de oorbijtrekkende Pruissen ze van de boomen sloegen , gezakt had. Hadden de Franschen geen tijd genoeg gehad , om alles weg te rooven , de Pruissen toonden ook dat hun dit werk niet vreemd was.

Eene toevallige vertraging der artillerie en treinwagens gaf ons eindelijk gelegenheid , om met gezwinden pas eene der bruggen over te komen. Deze overtogt , hoe nietig zulks moge toeschijnen , was voor ons hoogstbelangrijk. Daardoor toch kregen wij eene 

- 145 -

geduchte Pruissisehe legermagt achter den rug , die onze desertie niet alleen begunstigde , maar ons ook de verzekering gaf , dat wij door geen Fransch legerkorps opgeligt konden worden , om voor het front van ons regiment den kogel te ontvangen.

Om den stap te wagen , die wij bestonden , een stap die bij de mislukking den dood ten gevolge heeft , is meer moed en volharding en bedaard noodig , dan men oppervlakkig zou denken. De soldaat kan den moed hebben om in het vuur te gaan en te strijden , maar niet om de desertie te ondernemen. Een onzer krijgsmakkers , die tweernaal in den strijd gewond werd , een moedig man , doserteerde , maar keerde bijna op hetzelfde oogenblik terug , daar hem den moed ontzonk , en hij het gevaar niet durfde trotseren. Deserteren is een afschuwwekkend denkbeeld voor den soldaat aan eer en pligt getrouw , die uit vrijen wil of daartoe door het lot verpligt , zijn Vaderland dient , en ik zal de eerste zijn , die hem er de hand voor drukt ; maadeserteren als wij , uit de dienst van een geweldenaar, uit eene dienst die tegen de borst stootte , het moge voor de regtbank der eer al niet verdedigbaar zijn , ze is te verschoonen , te meer als een zamenloop van omstandigheden , zoo als hier , er toe medewerkte.


Nooit zal ik het vergeten hoe vele angstige oogenblikken wij doorbragten , ten gevolge dezer desertie ; ik kan oordeelen hoe de deserteur te moede is , als hij zijn vaandel verlaat ; het geritsel der minst onbeduidende voorwerpen , zoo bij dag als bij nacht , 
doet hem sidderen.


Men zal dus kunnen bevroeden van hoeveel gewig

- 146-

het ons was , dat wij de Neisse over waren ; wij gevoelden ons vrij en veilig voor de wet die wij overtreden hadden. Maar niet. alle gevaar was nog geweken. Voor de rondzwervenden ongeregelde Kozakkenbenden moesten wij nog altijd op onze hoede wezen.

In een dorp , bij ons vorig kamp gelegen , namen wij onzen intrek bij een kuiper , welke aan mijn kameraad uitdien vroegeren tijd bekend was. Het was nu echter anders dan voorheen ; toen , onder bescherming van den adelaar , konden wij bevelen , heengaan zonder betalen , thans moesten wij vragen , dikwerf met geld in de hand. De kuiper echter nam ons gereedelijk op , ofschoon hij twee Kozakken , die bij een zijner buren ingekwartierd waren , van spijs en drank voorzien moest.

Hij maakte ons dadelijk daarmede bekend , en verborg ons toch in eene stalling , die aan geen kozakken paard toegang verleenen kon.

Wij zagen hier bevestigd , hoe de nood het vernuft weet te scherpen , in de manier door deze eenvoudige 
menschen uitgedacht , om hunne levensbehoeften enz. te bewaren. Zij hadden namelijk eene geheime plaats
onder den vloer , waar boven zij , tot meerdere zekerheid , een strooleger gespreid hadden , waarop , als de
gelegenheid het vereischte , een jongen zich nederlag , wiens hoofd met een doek omwonden werd , en voor
zieke moest spelen. De krijgsman die binnen kwam om te stropen , zou al zeer ruw hebben moeten zijn ,
om den kranken te doen opstaan en wat vroeger zoo goed gelukt was , slaagde nog , daar zelfs de woeste
Kozakken medelijden met de kranken toonden , 

Des anderen daags vertrokken de Kozakken , en 

- 147 -

ook wij namen de reis op Lauban aan , en daar wij de groote route vermijden wilden , wonnen wij eerst de noodige inlichtingen over den weg , die wij alsdan volgen moesten.

Het ging dus weder van het eene dorp op het andere , en gedurig stonden wij aan de vroeger gemelde ondervragingen der boeren bloot. Wij namevoor daar niet meer op te antwoorden , om reden wij er ons niet toe verpligt achtten. Op een dorp , bij een welbekende boer , vroegen wij eindelijk nachtverblijf , dat , benevens eenen goeden maaltijd , van harte vergund werd

De schoone Septemberavond lokte ons uit nog eene wandeling te doen , maar wij waren ter naauwernood de velden ingegaan , of een geschreeuw naar den kant van het dorp , deed ons stilstaan en terugkeeren ; hoe nader wij kwamen , hoe meer het roepen en heen en weeder loopen der dorpelingen toenam. Toen wij op de hoeve kwamen , was het zaak ruimbaan te maken voor het vee , daons tegemoet sprong , en met geweld uit de stallen gejaagd werd. Hier zoowel als in het huis , was het een leven en drukte , dat hooren en zien deed vergaan.


En voorwaar , de oorzaak waarom dit geschiedde , was treurig genoeg ; het gerucht liep dat de Pruissische
armee retireerde , en die tijding was voor de dorpen , waar zij langs trekken zouden verschrikkelijk. Ieder
boer trachtte dus , en met reden , zijne beesten , die door dit ontijdig en onzacht vervoer vreesselijk loeiden ,
in het nabij gelegen bosch te redden. Het was een akelig tooneel om te zien , hoe wanhopend deze lieden ,
die maar al te wel de rampen kenden , welke een 

- 148-

terugtrekkend leger met zich voert , de hoeven op en afstormden. Het geschreeuw van " brand! brand!"   vermeerderde nog de akeligheid. Een geheel dorp in de rigting van Görlitz stond van het eene einde tot
het andere in vollen gloed. Het was een ontzettend schouwspel en wel geschikt om den angst der bekom-
merde landlieden te vergrooten. Wat zou hun lot zijn?
Wat zouden wij doen ? Onze toestand was er mede 
hagchelijk door geworden. Bleven wij , dan waren wij
niet buiten gevaar , wanneer de Franschen avanceerden ; en om in den nacht naar Lauban te gaan , was mede
gevaarlijk , daar de retirerendc Pruissen den hoofdweg onveilig maakten , en de weg , die door de bosschen
liep , was in de duisternis voor ons niet te begaan. Overal dus dreigde ons gevaar , en wij besloten het
liever af te wachten dan het te gemoet te gaan , en kropen zoo diep mogelijk in het hooi.

Er kwam dien nacht meer dan een Kozak op de hoeve stroopen , maar gelukkig vermeden zij onze schuilplaats. De dorpen dus , die niet aan de groote route lagen , hadden minder geleden dan men vermoeden zou. Voor ons was die terugtogt van Blucher eene onbegrijpelijke zaak ; wij toch hadden het schoone leger over de Neisse zien trekken ; wij wisten in welk eenen toestand wij het Fransche leger verlaten hadden.

Doch het gerucht sprak zoo stellig , dat wij er geen geloof aan konden weigeren , ofschoon wij van het hoofdleger niets ontdekten. Later echter vernam ik dat die terugtogt werkelijk geschied is , hoewel meer in schijn dan gedwongen , daar Bluchers retireren


-
149-

in het plan der bondgenooten lag. Napoleon echter was buitenstaat om hem te vervolgen , door het gebrek aan levensmiddelen dat in de zoo verwoeste Lausnitz heerste , en hij trok weder naar Dresden terug ; vanwaar hij , zoodra men hem den kring waarin hij hier zijne legers verzamelde vernaauwd , uittroom dien weder te verruimen. Naar waarheid zegt een onzer schrijvers: " Napoleon , van drie zijden bestookt , was in het geval van de leeuw , wien de jagers van alle kanten omringen om hem in het net te lokken. Zij wijken wel wanneer het wilde dier
op hen
aankomt , doch laten het geene rust , maar bedreigen het in de rug , in de zijde , tot het eindelijk in de voor zijnen ondergang bestemde plaats komt.

In den vroegen ochtend van den 5den September , toen in het dorp geen kozak meer te bespeuren was , vervolgeden wij onze reis op Lauban. Wij waren echter het koorenland nog niet in of wij moesten ons reeds verbergen , daar eenige Kozakken uit een naburig bosch te voorschijn kwamen. Schoorvoetend ging het dus voort want zoodra wij weder op weg waren moesten wij ook even zoo schielijk weder tusschen de halmen nederbukken. En nog hadden wij het gevaarlijkste punt niet bereikt ; want het bosch , waarin de Kozakken hun nachtleger gehouden hadden , moesten wij door om te Schreibersdorf te komen.

Wij waagden het eindelijk het bosch in te gaan ; maar hoe dikwerf keerden wij daarin niet op onze schreden terug , en namen eene andere rigting , zoo menigwerf wij op een overblijfsel van een gehouden 

-150 -

bivouac stuitten ; want wie zou het ons zeggen of daarbij met hier of. daar een Kozak achtergebleven was. Wie van ons die -smeulende vuren het eerst ontdekte , tikte den ander op den schouder , want spreken durfden wij niet. Door dit gedurig van rigting veranderen , kon .het wel niet anders , of wij moesten van het regtespoor geraken en wij kwamen aan een anderen zoom van het bosch als wij moesten , en aan een heuvelachtigen grond , maar zagen , tot
onze blijdschap , op eenen korten afstand een dorp liggen. Wij besloten af te dalen en naar den weg op Schreibersdorf te vernemen , doch eenige Kozakken die het dorp inreden , deden ons het bosch weder invlugten. Wij drongen het op nieuw dwars door. Wie beschrijft onze vreugde , toen wij den tegenovergestelden zoom van het bosch bereikten , Schreibersdorff daar voor ons lag ? Snel daalden wij een heuvel af , en daar geen weg naar het dorp leidde , zoo liepen wij door de akkers er op aan. Maar die weg , zoo kort schijnende , viel bitter tegen , daar de afstand grooter was dan wij vermoedden en de grond zeer heuvelachtig en moeijelijk te begaan was. Het denk-
beeld echter , dat wij nu een rustpunt van ons omzwerven zouden bereiken , gaf ons moed en kracht.


Maar helaas ! wat zijn des menschen berekeningen en vooruitzigten ? In de plaats van een veilig toevlugts oord te vinden , zou armoede , gevangenschap , ja wat niet al , mijn lot worden.

Het was in den namiddag toen wij Schreibersdorbinnentraden. In het dorp heerschte eene doodsche stilte ; men kon van de eene naar de andere woning 

- 151 -

loopen , zonder een levend wezen aan te treffen. Zulks kwam ons vreemd voor , te meer daar nergens militairen te zien waren. Wij gingen echter rustig voort ; en verder het dorp in ; maar het werd ons toch eindelijk zonderling te moede , toen overal die zelfde stilte , die zelfde verlatenheid bleef heerschen.

Eindelijk hoorden wij hoefslagen achter ons. Omziende ontdekten wij twee Kozakkenofficieren. Deze reden echter zonder ons eenige opmerkzaamheid te schenken voorbij , en sloegen den weg naar de pastorij in.


Wij waren thans de woning van den ons bekenden kleedermaker genaderd , en deze konden wij , zonder er een bezoek af te leggen , wel niet voorbijgaan.
Ook hoopten wij dezen man te huis te zullen vinden , daar het ons van vroeger gebleken was , dat hij zijn
eigendom zoo spoedig niet prijs gaf. Wij vonden ons hier ook niet in bedrogen. Met verwondering beschouwde den man ons van top tot teen , en ofschoon hij wel terstond de deserteurs in ons herkende , deed hij dat niet zoo spoedig de personen. Dat was trouwens den man niet kwalijk te nemen ; hij had in den laatsten tijd zoo vele soldaten moeten huisvesten , dat het getrouwste geheugen wel falen moest.

Wij maakten hem met onze omstandigheden bekend , en verzochten dat hij wat aardappelen voor ons wilde koken , daar wij den gansehen dag nog niets gegeten hadden. Dadelijk was hij hiertoe bereid , vulde den aarden pot , maakte vuur en na weinig tijds waren de dampende kartoffels opgedischt. Zout had de man er niet in gedaan , want hij bezat het

- 152-

niet ; aardappels was zijn eenige voorraad , daar zijn vee en al de nooddruft met vrouwen kinderen naar elders vervoerd was. Wij ontdeden dus de kartoffels van hunne montering , en waren nog blijde dat kostje te kunnen orberen. Zoodra wij voldaan waren staken wij onze pijpen aan , en meenden te vertrekken toen twee Russische infanteristen binnenkwamen. Zij zagen de kamer eens rond en aten de weinige aardappelen , die wij overgelaten hadden op , en vertrokken weder, zonder een woord gesproken te hebben. Dit alles geschiedde als in een oogenblik. Wij maakten ons toen ook tot de afreis gereed en boden onzen gastheer eenige grosschen aan voor zijn onthaal ; de man was grootmoedig genoeg om ze van de hand te wijzen.
Onder hartelijken dank verlieten wij den kleedermaker , slingerden onzen bundel op den schouder en stapten op het geen half uur verwijderde Lauban aan. Naauwelijks hadden wij 40 of 50 passen afgelegd , of twee Kozakken rijden eensklaps van achter eene boeren woning naar den grooten weg toe , en slaan hunne blikken ginds en herwaarts rond. -- Zij krijgen ons in het gezigt , wenden hunne paarden en rijden met gevelde lans op ons aan " Sta!" zeide ik tot mijn lotgenoot , die de vlugt wilde nemen, " loopen baat hier niet ," en wij wachtten ons lot af. Dat lot , wat zou het zijn ? De verschrikkelijkste gedachten rezen in ons op , toen de woeste ruiters al nader en nader kwamen. Eensklaps  schreeuwden zij met eene vervaarlijke stem , en het woord dat zij spraken , was beter door hunne paarden dun door ons te verstaan , want de beesten stonden 


-153 -

plotseling stil. De Kozakken stegen daarop af. De een , een reus van een vent , en een buitengewoon. lang maar nog jonge man , pakte mij dadelijk zeer onzacht aan terwijl de ander mijnen vriend aangreep , te gelijk ons iets toeroepende. Wij verstonden het woord niet , maar des te beter de begcerige blikken die zij op ons wierpen , en de roofzucht die er uit sprak.


Wij haalden schouders op en zagen hen smeekend 
aan , maar dit baatte ons niet ; want op eens vlogen al de twee en twintig knoopen van mijn vest los , was mijn hempt opgetrokken en den lederen riem van mijn ontbloot lichaam gerukt. Zonder te zien wat  er in was , stak de roover den riem in zijn wijden broek , doorzocht daarop mijne. zakken en de weinige grosschen volgden den riem. Toen was de bundel aan de beurt , mijn ordonnanspantalon , hemd , doeken , laarzcn , alles was gading. Mijn kameraad wedervoer hetzelfde , alleen behield hij den pantalon. Toen er niets meer te vinden was , stegen de roovers weder te paard en lieten ons in den droevigsten staat over. Ja , wel een droevigen staat. De grootheid van  de ramp die ons hier trof , in al haren omvang thans te beschrijven , zou noodeloos zijn , daar de gevolgen ze meer dan duidelijk zullen maken. Jaren zijn verloopen , nu ik deze bijzonderheid ter neder stel , en nog levendig herinner ik mij de aandoeningen in dit noodlottige tijdstip gevoeld , de herinnering aan den toestand , waarin de roovers ons achterlieten , die wel nooit uit het geheugen zullen worden gewisscht.

Het is of ik mijn vriend mij nog bij den arm voel grijpen , en hem mij hoor toeroepen , terwijl de tranen 

-154-

langs zijne wangen biggelden : " Mijn God! nu zijn wij doodarm ! Wat moeten wij beginnen ?" En dat was waar. Hoezeer hij weinig kon verliezen , ik had alles verloren en dat was hetzelfde ; want zoo. lang ik nog een stuk brood kon koopen kon hij op de helft rekenen. Twintig dukaten tien twintigfrankstukken en nog' eenige andere munt , eene waarde van ruim f 200 , was de schat die mijn riem bevatte , een schat , groot voor een soldaat en voor ons van
het uiterste belang te noemen.

Daar stonden wij ; spreken konden wij niet en als radeloos sloegen wij de handen in een. Lang , lang beraadslaagden wij wat ons nu te doen stond , bedelaars als wij op eens geworden waren. Naar Lauban voort
te gaan ? Lauban , de plaats waar wij onze Saxische kleêren voor anderen geruild , schikkingen voor den togt naar het Vaderland zouden gemaakt hebben ?


Hoe dikwerf was dit voornemen het onderwerp onzer gesprekken geweest , hoe vurig hadden wij naar dat oogenblik gewenscht. Daar lagen nu die zoete droomen als in het stof vertreden. Hoe zouden wij nu , in ons zonderling kleed , ingang en hulp bij de menschen in dit vreemde land vinden , hoe ons Vaderland bereiken ? Die gedachten , de gedachte aan onze geliefde betrekkingen , die wij weder hoopten te ontmoeten , de herinnering aan de genoegens daar gesmaakt , die wij welhaast op nieuw dachten te genieten , overstelpten ons. Alles wat wij gehoopt hadden was als voorbij , als bedorven voor ons. Op zooverren afstand van Holland , scheen het ons onmogelijk ooit weder
den geliefden grond te zullen betreden.

- 155 -

En toch - hoe verschoonbaar onze moedeloosheid in die eerste oogenblikken was --- wij .begrepen dat een overgeven aan aan wanhoop , die zich van ons meester gemaakt had , onzen toestand verergeren zou. Daarom voegden wij elkander toe : het ongeluk moedig het hoofd geboden , en op Hem vertrouwt die ons tot hiertoe geholpen heeft , en al is ons nu leed en  ramp te beurt gevallen , te zijner tijd zal Hij ons ook weder hulp en troost doen ondervinden.

Wij besloten naar den kleedermaker terug te keeren. De goede man ontving ons met open armen. Hij getuige geweest van onze uitplundering , en gevoelde het grootste medelijden met onzen toestand.


Wij waren zijne woning nog niet binnen , of twee Russische infanteristen pakten ons op nieuw aan , en of wij al zeiden : " Kozak ! Kozak !" " Dobbere ! dobbere !" schreeuwden zij ons toe en begonnen hun onderzoek , mijn brieventasch , waarin eenige brieven en een landkaart , voor hun van geene waarde ; mijn fraaije duitsche pijp en tabakszak werd goeden buit en tot overmaat van alles rukten zij mij nog een roode doek met witte streepen van den hals. Dit maakte mij woedend , het bloed kookte mij van gramschap ; want die doek was nog het eenige , dat mij
van de ouderlijke woning overgebleven was. Ik hief de vuist op , maar het gevoel hoe dwaas een verzet zijn zou tegen de gewapenden , deed hem weder zinken. --- Ik bezat alzoo niets meer dan het schamele kleed dat mij dekte. Men scheen het wel bijzonder op mij gemunt te hebben , daar Koke al weder zijn pantalon mogt behouden.


-156 -

Ontmoedigd door deze herhaalde ramp , zetteden wij ons op het gras neder ; het hoofd hing ons op de borst en wij peinsden wat wij zouden aanvangen.  Bedelen.? Zoo laag te moeten afdalen , dat denkbeeld was ons ontzettend. Dat konden wij niet. Veeleer wilden wij arbeid zien te verkrijgen. Wij waren jong en sterk , het was in den oogst en de boeren zouden ons wel aannemen , dewijl er geen overvloed van handen was , daar de oorlog zoo menigeen aan zijn beroep ontvoerd had. Onze gastheer verwees ons naar eene groote hoeve in de nabijheid ; doch de pachter was door de onzekere tijdsomstandigheden zoo in zijne bezigheden verachterd , dat hij zich geheel alleen bevond.
Wij keerden dus tot ons verblijf terug ; maar vonden
het huis gesloten. Wij wisten echter binnen te komen en vonden den bewoner vertrokken. De honger , die ons kwelde , deed ons rondzoeken , wij vonden eindelijk eenige aardappelen , die welhaast over het vuur hingen. De rook die ten schoorsteen uitsteeg , deed de kleêrmaker uit het bosch komen , daar hij bevreesd was , dat de Kozakken in zijne woning geweest waren.
T'oen hij ons vond , helderde zijn gelaat op , en hij vergunde ons nachtverblijf. Wij betrokken weder ons oude slaapkot , doch het stroo was door het vele logies verleenen als kaf geworden en verschafte geen aangenaam leger. Maar hoe dit ook was , en welke zorgen ons ook kwelden , de ellende dien dag doorgestaan , en die ons naar ligchaam en ziel vermoeid hadden , deden ons geruster inslapen , dan wij gemeend hadden te zullen doen.

- 167-

Den volgenden morgen dankten wij onzen gastheer voor zijne bewezene goedheid en namen onzen weg naar Themensdorf , ten einde te zien , of ons in Silezie beter geluk dan in Saxen te beurt zou vallen.



--ooOoo--


HOOFDSTUK XVII.

••

Overtogt van de Queijsse. Weder Kozakken. Themensdorf en de gastvrije
vrouw. Veldarbeid, Uit de eene dienst in de andere. Ontslagen.
Krachtige vrouwen in Saxen. Nog eens over de Queijsse. Een leugen 
om best wil. De korenmolen. Lange togt. De hut in het bosch.
Het zieke kind. Een aanzienlijk persoon. Slaafsche onderwerping.
••

 

Wij lieten Lauban aan de linkerhand liggen , alzoo er een aanzienlijk legerkorps in de nabijheid der stad zich bevond. Door dit verlaten van den gewonen weg geraakten wij echter verdwaald , en wij doolden langen tijd rond , eer wij gelegenheid vonden om over de rivier de Queijsse te komen. Eindelijk slaagden wij daarin , en wel bij een door het water in beweging gebragten korenmolen. Zoodra wij aan den anderen oever waren stieten wij op eenige honderden Kozakken , die hier bivouac hielden. Daar wij niets meer te verliezen hadden , gingen wij regelregt door den troep heen ; niemand strekte een hand naar ons uit.


Het was ons ten bewijs dat er toch nog discipline onder deze horde was , en wij gaven elkander te kennen hoe jammer het was , dat die beide officieren ons den vorigen dag niet eenige oogenblikken later opgereden waren , dan voorzeker zou hunne tegenwoordigheid de roovers wel beteugeld hebben.

Weldra lag Themensdorf voor ons en klopten wij bij de oude vrouw aan , die ons vroeger gehuisvest 


- 159 -

had. Wij gaven haar ons noodlottig wedervaren te kennen , en baden om hare ondersteuning. Even hartelijk als vroeger werden wij ontvangen , en had voorheen de adelaar ons huisvesting verschaft , thans werd ze ons om onze armoede gegeven. Eere de menschlievende weduwe ! Haar aandenken bleef ons dankbaar bij.

Wij hadden echter te veel eergevoel , dan dat wij de gulle vrouw tot last wilden zijn , van op eene menschlievendheid te teren , die wij niet vergelden konden. Mijn kameraad besloot dus om naar het huis te gaan , dat onze makkers voorheen geherbergd had , ten einde te zien of hij daar , de hem door de Kozakken gelaten ordonnanspantalon , niet verkoopen kon , het welk hem voor een Pruissische thaler gelukte.

Den volgenden ochtend verlieten wij reeds vroeg de woning om arbeid te zoeken. Wij slaagden dadelijk bij eenen boer , die behoefte aan arbeiders had , daar zijne knechts door de Franschen geprest waren. Met een hooivork gewapend togen wij onmiddelijk met de boeren naar de akkers , om haver en rogge te keeren.


Ons proefstuk bewees al dadelijk dat wij geene meesters in het vak waren , want onze positie bij het werk was geheel verkeerd. Eene kleine onderrigting van de boerin was echter genoeg , om ons verder geene groote fouten te doen begaan.

In de schaduw van een grooten boom werd vervolgens het middagmaal gehouden , en hierin stonden wij bij de boeren geenszins ten achter , en wij , die in lang geen zoo voedzaam maal genoten hadden ,
deden ons duchtig ten goede , De komst van een

-160 -

jongen, met het berigt , " dat Berend met de wagens terugkwam " deed het gezin van den boer op eens de lepels nederleggen , en met een gejuich den weg opgaan , om den knecht , die met de wagen geprest gewèest en reeds als verloren gerekend was , te gemoet te gaan. Wij voor ons bleven zitten , tot zoolang de schotel ledig was , en hadden die dus de meeste eer bewezen ; maar het was ook de eerste en laatste maal ; want wij werden terstond uit de dienst ontslagen , daar de boer , door de terugkomst van Berend , onze hulp niet meer noodig had.


Of wij al tegen dit schielijke afdanken protesteer
den , hielp niet , en wij waren genoodzaakt naar een ander dorp te gaan , waar wij van den eenen boer op den anderen liepen , en eindelijk met een pachter voor de kost akkordeerden. Wij namen oogenblikkelijk met hem op een ladderwagen plaats , en werden zoo lustig naar een akker gehotst , om schoven op te laden.


Het binden der schoven werd mede aan ons op
gedragen ; doch hoe onbeduidend dit scheen , het wilde ons maar niet gelukken ; want wij konden niet begrijpen , hoe de knoop om de schoof gelegd moest worden. Het was ons echter onverschillig wat wij deden , en met het gevoel dat wij den kost verdiend hadden , strekten wij het vermoeide ligchaam op het aangewezen strooleger uit.
Met het krieken van den dag werden wij gewekt. 
Toen wij ons aankleeden maakten wij - elkander de opmerking , hoe het mogelijk was dat wij den vorigen avond geen ongeluk gekregen hadden , daar op de


- 161 -

hooge zoldering waar wij ons bevonden , de planken soms meer dan een voet van elkander lagen. Ons eerste werk was nu de den vorigen dag geladen wagens te lossen , hierna ontbeten wij en reden op nieuw naar den akker. Toen wij weder met den vollen wagen terugkeerden , gaf de boer mij te kennen, dat zijn buurman verzocht had , een van ons te mogen overnemen. Hij had daarin toegestemd , daar hij er zeer goed missen kon. Ik aanvaardde alzoo de nieuwe dienst , en werd daarin al dadelijk met een paar stevige Pruissische boerinnen naar een akker gedetacheerd , waarvan het koorn reeds binnen gehaald was , en dus nog nagezweeld moest worden.


Een werk dat niet van de zwaarste soort was.  
Eindelijk was het tijd voor den middagpot , en wij trokken huiswaards. De melksoep wachtte ons reeds , doch de ontzettende legioenen vliegen , die de spijs als bestormden , maakten het nodig , dat een onzer bij beurte met een vliegenklap moest rondslaan , om de ongenoode gasten te verdrijven. Deze onaangename kwelgeesten vond men bij ieder boer , wiens huis met een kagcheloven voorzien was.

Zoodra de maaltijd geëindigd was , schaarden zich het gansche gezin in het ronde , en eenparig werd God gedankt voor het genotene. Hoe vreemd mij deze gewoonte , op die wijze ook was ; zij kwam te zeer met mijn gevoel overeen , dan dat ik niet van harte met deze godvruchtige lieden zou ingestemd hebben.


Alstoen werd mij met dezelfde dikke meiden een ander werkje aangewezen , om namelijk in eene stal-


- 1
62-

ling den drek op te ruimen , een werk dat mij dikwerf  de drietandige vork uit de hand deed werpen , om eens
versche lucht te scheppen ; maar hoe morsig de zaak was , voor den boer is deze mest eene te kostbare specie , dan dat zij niet met de meeste zorgvuldigheid zou verzameld worden.

Het spreekwoord zegt : " dat na gedaan werk , goed rusten is ;" en toen ik mij daarnaar schikken wilde , werd dit genot zeer verbitterd , door eene te kennengeving van den boer , dat hij mij niet langer in dienst mogt houden , daar de Schout den vreemdelingen, welke van geene pas voorzien waren , geen verblijf in het dorp kon toestaan , Of dit strikt genomen waar was , of dat men mij kwijt wilde zijn , was mij toen nog niet duidelijk ; maar later is het mij meermalen voorgekomen , dat , wanneer wij bij de boeren werk zochten , aldaar ingekwartierde Pruissische militairen ons afvroegen , welke landslieden wij waren , en als wij overeenkomstig de waarheid geantwoord hadden den vriendelijken raad gaven , maar naar Holland af te marcheren , Vreemd stak het bij het vriendelijke
woord af , dat ze ons dan oogenblikkelijk den rug
toekeerden.

Na het ontvangen van deze jobstijding , zocht ik terstond Koke op doch deze ontmoette mij reeds halverweg , en riep al in de verte , " dat hij zijne matten kon oprollen." Daar wij het er voor hielden , dat alles afgesproken spel bij onze boeren was , zoo besloten wij maar weder naar Themensdorf terug te keeren. Het was reeds duister toen wij daar aan de hut der oude vrouw kwamen , waar wij even hartelijk 

- 168-

Als vroeger ontvangen werden , en nog eene portie aardappelen ten beste kregen.  Den volgenden ochtend Waren wij naauwelijks in  de stube , of de oude vrouw maakte ons bekend , dat zij dien nacht op nieuw grootmoeder geworden was.
Wij , die bij ons te land bij zulke gevallen de meeste stilte in acht nemen , stonden zeer verwonderd , dat de spinnewielen in de kamer even lustig snorden en de gewone drukte in het geheel niet gematigd werd , en niemand scheen te denken , dat zich eene kraamvrouw in dezelfde kamer bevond , en ook deze scheen van dit gedruisch niet de minste hinder te hebben , en niets te deren.

Daar Silezie ons dus niet gunstiger opnam dan Saxen , besloten wij naar het laatste rijk terug te keeren. Nogmaals zeiden wij de vrouwen hare familie vaarwel , en dankten haar innig voor de ons reeds zoo dikwerf bewezene goedheid.

Het was ons onverschillig waar wij de grenzen overtrokken , en daarom lieten wij den gewonen weg van Themensdorf op Lauban liggen , ten einde aan de linkerzijde dier stad de Queijsse over te trekken.


Wij vonden ons echter hierin bedrogen , alzoo daar geen overgang was. Wij gingen dus hooger op tot aan een' molen die door het water rond gedreven werd. Doch ook hier zou het moeijelijk genoeg zijn , om de rivier over te komen. Ofschoon eene stevige 
rij palen , waar tusschen keisteenen lagen , om de kracht van de stroom te bevorderen , oogenschijnlijk geen gevaar bij het doorwaden opleverde , zoo was echter door den veelvuldigen regen in de laatste 

-164-

dagen de rivier zeer gezwollen , en de daardoor sterker gaande strooming maakte den overtogt gevaarlijker dan
gewoonlijk. Desniettegenstaande , daar anders niet dan op een zeer verwijderden afstand aan een overtogt te
denken viel , ondernamen wij het , en bereikten gelukkig den anderen oever. Gelukkig zeg ik , en met reden ,
want een enkele mistred slechts , of was een onzer komen te vallen , het tot aan de kniën opbruisende water , had ons voorzeker medegevoerd , en de rivier ten graf doen verstrekken. Het was dus zeer veel gewaagd , dat wij dit onderwonden , te meer daar er geene bijzondere redenen voor bestonden ; want wij waren niet aan den anderen oever , of de vraag werd geopperd : "Waar zullen wij nu heen ?"

Wij wisten het niet. Op goed geluk gingen wij voort , De eerste torenspits de beste was ons baken. De dag liep ten einde en de schemering begon meer en meer tot duister te worden , zoodat in eenige boerenwoningen reeds het licht ontstoken was , toen wij een dorp intraden. De eerste boer de beste werd om nachtverblijf gevraagd , maar bij den een zoo wel als bij den ander , die wij opvolgens de vraag deden , was het eensluidend. "Gij zijt zeker fransche deserteurs! ga heen !" Wij waren de franschgezinde Saksers zoo welkom als een dief in den nacht. Een toeval
echter kwam ons te hulp. Eene weduwe bij wien wij ten laatste aankwamen , redde ons door de vraag of wij bij de “ Franzosen gefahren hatten ! " “ Ja wohl !" was ons antwoord , had ze iets anders gevraagd , dan wij begrepen dat zij meende , wij zouden ook "ja wel" gezegd hebben. “ Dan moet gij dáár zijn," zeide


- 165-

het praatzieke vrouwtje, met ons de deur uitgaande , " daar waar dat licht brand , die boer heeft ook op uitspan gereden."Wij volgden de aanwijzing , wetende waaraan wij ons nu te houden hadden. Wij hadden de deur van
de aangeduide woning niet geopend , of ons gezigt werd aangenaam gestreeld door een vrolijk brandend
vuur , waarboven een groote ketel hing , waarin de vrouw des huizes wakker roerde. Een stoot aan mijn
arm was even goed , als dat mijn reismakker zeide , als 't hier gelukt , zijn wij wel af ! en dat dit ook
mijne gedachte was zal wel geen betoog behoeven.

Zoodra de boerin ons gezien , en vernomen had dat wij op uitspan geweest waren , riep zij dadelijk haren man , en toen wij ook deze hetzelfde vertelde , was 't dadelijk : "Kom binnen, mannen! Ik heb ook bij de Franzosen gefahren, zet u." Dit lieten wij ons geen tweemaal zeggen. Moeijelijk echter viel ons zijne vraag , wat ons wedervaren was ? Want hoe wonderlijk eene geschiedenis wij ook verhaalden , wij dienden ze toch eenigzins geloofwaardig te maken.

Reeds de vraag welke landslieden wij waren , lokte de eerste leugen uit. Beijerschen , zeide wij, want dat
wij geene Saksers waren , al zweemde onze kleeding er naar , kon hij uit onze spraak wel opmaken , en
daar de goede man waarschijnlijk evenmin wist wat Beijeren of Holland was , zoo werd dit voor goede munt
opgenomen. Wij knoopten hieraan de mededeeling vast , dat op de retraite van Löwenberg de Franschen
onze paarden voor de stukken gezet en de wagens verbrand hadden. Dat de vertelling doel trof bleek ,


166 –


want toen zij geëindigd was , riep de boer , zijn handen zamenslaande uit: " Lieber .Gott ! wat ben ik dan
gelukkig geweest , want paarden en wagens , alles , alles heb ik behouden."

Wat zal, ik zeggen' over dit verhaal en den misstap die wij begingen ; zoo ten koste der waarheid te spreken ? Strikt genomen : was het misbruik van vertrouwen , eene speculatie op het medelijden van een eenvoudig mensch! Maar wat zouden wij doen , het was het eenige middel om onder dak te komen en wat spijs te erlangen. En dit gelukte ; de man was zeer met ons in zijn schik , en wij moesten al door vertellen , maar dit begon minder en minder te wor-
den , en geen wonder , want wij hoorden de arbeiders reeds met de lepels in den schotel. De boer eindelijk
begrijpende wat er aan ons schortte , liet ons een goeden schotel pap brengen.

Na dit genuttigd te hebben , bleven wij onder het rooken eener pijp al voort praten , daar onze gastheer niet moede werd om ons uit te hooren. Wij bleven dan ook niet in gebreke met antwoorden , en wij zouden hebben blijven voortkeuvelen , als de boerin niet herinnerd had , dat het hoog tijd was om te gaan slapen. De boer ging ons toen voor naar de hooiberg , waar wij de lange leêr opklommen ; hij blies de lantaarn uit toen wij boven waren , en wenschte ons een goeden nacht.

Dat werd hij , want den volgenden ochtend ontwaakten wij , uitgerust van de doorgestane vermoeijenis. Wij kregen nog een hartig ontbijt van den boer , en namen toen onze reis weder aan. Het dorp verder


-167-

ingaande , deed een detachement Pruissen , tot geleide van eenige wagens dienende , ons een ander. spoor inslaan ; dat op een korenmolen uitliep. Mijn medgezel was daar in zijn element , hoewel de constructie van dien molen hemelsbreed van die van de Vervanger te Amsterdam verschilde. Wonderlijk was die standermolen ook zamengesteld , want de as stempelde van achter hooger dan van voren , en in de plaats van met zeilen waren de wieken met houten borden bedekt ; zoo was er ook geen ligter aan den maalsteen , iets , dat volgens de verklaring van den molenaar niet noodig was , alzoo hij slechts voor de boeren maalde , die uitsluitend hun eigen brood bakten.

Even als den vorigen dag zagen wij al weder naar  eene torenspits uit , en daar het vrije rondloopen thans voor ons reeds de nieuwheid verloren had , gebeurde het meer dan eens bij het heete weder , dat wij ons des middags in het gras nederlegden en een uiltje knapten , dat wij zonder vrees konden doen , daar wij toch niets te verliezen hadden.

Een dwaaltogt kan men ons omzwerven in deze en de volgende dagen noemen , zoo zonder bedoeling als wij voortgingen , en dat is ook wel de reden dat ik niet juist onze route op eIken dag beschrijven kan.


Van de rigting van Lauban tot aan de grenzen van Sileziën zijn wij uitgestrekte bosschen doorgetrokken , en menig schoon gezigtpunt kan ik mij nog voor den geest brengen.

Zoo trokken wij , na den korenmolen verlaten te hebben , een bosch in , al dieper en dieper , zonder dat wij een uitweg of eenig menschelijk verblijf von-

- 168 -

den. Eindelijk , tegen den avond , kwamen wij aan eene hut en verzochten daar den nacht te mogen door- brengen. Eene vrouw , die zich alleen in huis bevond nam ons van het hoofd tot de voeten op , en daar wij er niet als reizigers uitzagen , die veel te verteren hadden , schudde zij het hoofd en zag er ontrust uit. Wij verzekerden dat wij haar niet tot last wilden zijn , en dat het onze eenige begeerte was om onder dak te komen. "Dan zijt ge mij welkom ," zeide de vrouw en leide ons binnen. Hier bleek het , dat wij in de onrust der vrouw misgetast hadden , en dat de reden daarvan gezocht moest worden in haar kind , een jongske van na gis acht jaren , die door den rooden loop aangetast was. Van tijd tot tijd sprong de arme kleine uit de krebbe , en alsdan had de moeder druk werk om de onreinheid van den vloer met een langen takkenbezem onder de krebbe te vegen , en daarna de stube weder met zand te bestrooijen. Een aangenaam verblijf hadden wij dus niet getroffen , en meer dan eens meenden wij de hut te verlaten , maar
waar zouden wij anders den nacht doorbrengen , en bovendien , zoo als de vrouw ons verzekerde , was het
bosch niet veilig , daar er zich gansche kudden wilde zwijnen in ophielden. Dit was ook de reden dat
haar man niet te huis was , daar hij dien nacht op post moest staan ; een dienst waartoe ieder in de nabuurschap op zijne beurt verpligt was.  

Om dus van deze zwijnen , die zeer boosaardig zijn , geen overlast te lijden , lieten wij ons het walgelijke verblijf in de hut welgevallen. De ellendige toestand van het knaapje maakte echter ons medelijden gaande , 

- 169-

en mijn kameraad stelde mij voor eenige kruiden te gaan zoeken , die hem als heilzaam bekend waren en op brandewijn getrokken , den jongen , die hier wel altijd van geneeskundige hulp zou verstoken blijven , zeker zouden helpen. Wij vonden dan ook de kruiden en ze werden naar de opgave van Koke gereed gemaakt. In hoe ver echter het medicament aan het goede oogmerk beantwoord heeft , kan ik niet beslissen , daar wij met het krieken van den dag het bosch weder ingingen , dat nu meer en meer opene plekken kreeg. Wij ontmoetten schoone dorpen , door heerlijke bouwgronden of weilanden omgeven , waarop talrijke kudden graasden ; sommigen dier dorpen lagen aan
kleine meeren , die de schilderachtigste tooneelen opleverden, tooneelen die zich dikwerf op het onverwachts aan ons gezigt voordeden.

In deze zoo aangename streek , waarin wij drie of vier dagen omzwierven , troffen wij op vele hoeven kleine molens aan , waarmede de boeren zelve hunne gierst pelden.

Zonder het te weten naderden wij de Silezische grenzen. Op het laatste Saksische dorp vroegen wij een boer , die uit het venster zijner woning lag , hoe het plaatsje heette , maar hij beantwoordde dat met te zeggen : dat wij den mond moesten houden , alzoo de heer ambtsregter aankwam. En eer wij er nog overdenken konden , waarom wij zwijgen moesten , was de man reeds achter ons. En wij , die iets zeer deftigs verwacht hadden , stonden verbaasd op het zien van een ineengedrongen mannetje , in eene schapenvacht gewikkeld en op een paardje gezeten , dat geen 10

-170 -

thalers waarde had , en waarop de achtbare man al een zeer misselijk figuur maakte. De mutsen en hoeden der aanwezigen en aankomenden.boeren vlogen als van. het hoofd , en ieder boog zich voor den persoon die in plegtigen stap hen voorbijreed , en hun groet slechts even beantwoordde , door aan zijne afgesleten bonte
muts te grijpen. Wij konden ons bij het zien dier slaafsche onderdanigheid niet van lagchen onthouden.

Dit werd door de boeren echter zeer kwalijk opgenomen , en daar wij om hunne eerbiedigheid geene klappen wilden bekomen , bliezen wij haastig den aftogt. Arm volk , dachten wij dikwijls , hoe zucht gij onder den dwang uwer landheeren , in de vrees voor hunne magt , als bij de geboorte u ingeboezemd.


Hoe dikwerf hebben wij het gezien , dat menig boer het graan van zijn landheer moest inzamelen , terwijl het zijne op het land stond te verrotten. Hoe vreemd zulke heerendiensten ons als Hollanders ook voorkwamen , men deed het hier als door gewoonte , en als wij de boeren soms wezen op het onregtvaardige in de handelwijze van sommige heeren , en het onnatuurlijke dat altijd in die diensten lag , zuchtten zij en zeiden : " er was niets aan te veranderen."

 

--ooOoo--



HOOFDSTUK XVIII.


••

De Beek. zonderling manier om arrestanten te maken. Het noodlottig

besluit. Hij stond ook bij de landweer. De Schout-herbergier. Ophel-
dering. Zonderlinge geleiders. Opgewekte hoop. De barsche Kom-
mandant. Sagan. Sprottau. Bolkowitz. Liegnitz. Allerlei landaard.
De hoofdwacht. Vertrek met een droevig gezelschap. Breslau.
Akelig nachtverblijf.

••


Wij dwaalden op nieuw verder , en kwamen eindelijk aan eene hoeve , langs welke eene beek vloeide , en waarover eene houten brug lag. "Dat is stellig een wirthshaus ," zeide Koke , " en het zal goed rusten zijn bij een snaps ! Het kapitaal voor mijn pantalon verkregen kan dat wel lijden." Ik moest onwillekeurig glimlagchen dat hij thans de kapitalist van ons beide vertoonde , en ofschoon ik geen uithangbord zag , dat tot zijn vermoeden grond gaf , mogt ik wel lijden dat hij goed geraden had. Wij waren de brug naauwelijks over , of een boer , die op een wagen stond en bezig was hakhout af te werpen , riep ons al voortwerkende toe : "Wat landslui zijt gij ?" " Hollanders !" was
het antwoord. " Hebt gij passen ?" Passen dat kwam ons vreemd voor. Intusschen was hij afgeklommen en ons genaderd ; hij herhaalde nog eens zijne vraag. Wat passen?" zeide wij toen , " wij bezitten geene passen. Wij zijn Hollanders en geen Franzosen." " Das geht mir nights an ! Sie sind arrestanten." En dit gezegd hebbende ging hij weder aan zijn' arbeid.

- 172-

Verwonderd bleven wij staan. "Arrestanten!" zeiden wij elkander aanzien de. " Hoe denkt gij daarover Koke?" vroeg ik mijn vriend. "Willen wij vrij blijven , het kost maar een paar minuten , want als wij den stap opnemen , kan de boer ons niet achterhalen , die buitendien eene vreemde manier van arresteren heeft , en schijnt te denken dat zijn bevel genoeg is." " 't Is mij om 't even ," zeide Koke. " Ik ben dat zwervend leven moê, Weldra zullen wij moeten bedelen , en als wij gevangen zijn zal men ons toch niet laten dood hongeren." Dood hongeren !" hernam ik, is een erg woord , Koke! maar een stuk gebedeld brood heb ik nog liever , dan een warme soep in 't cachot , Vrijheid gaat bovenal."


Koke bleef echter bij zijn besluit. Te scheiden van
hem , met wien ik zoo lang omgegaan had , viel mij moeijelijk , en na lang overwegen besloot ik , zijn zin te doen. Had ik vooruit kunnen zien wat gebeuren zonooit had ik aan zijn wil toegegeven. Een kwartieruur 
bleven wij op de brug post vatten. Eindelijk kwam de boer , bij wien eigen zaken voor schenen te gaan , weder naar ons toe ; hij was nu echter met een piek gewapend , die tegen een der schuren gestaan had. In het volle gevoel zijner waardigheid , beval hij ons hem te volgen , en als lammeren togen wij met dat waardige lid der Pruissische landweer voort. Waarheen de reis lag wisten wij niet , maar schielijk ging het niet , daar onze geleider gedurig door de boeren staande gehouden werd , met de vraag : " Heinrich ! wat lui-
den zijn dat." " Oh !" antwoordde dan Heinrich , en hij nam eene

- 173-


positie aan , alsof hij eene gansche divisie krijgsgevangen
genomen had , "dat zijn arrestanten , ja, arrestanten ,
zeg ik , die dadelijk getransporteerd moeten worden." En Heinrich stapte weder fier voor ons uit.


Eindelijk kwamen wij aan een ander dorp , en
werden in de herberg geleid. Onze held had , met ons hier heen te geleiden , zijn pligt volbragt. De kastelein uit de herberg was tevens schout van het dorp. Hij was zelf militair geweest , en van hem vernamen wij de reden onzer gevangenneming. Met het overgaan der beek waren wij de grenzen van Saxen en Silezie gepasseerd , en daar hier alles op een militairen voet georganiseerd was , mogt niemand zonder het vertoonen van een pas verder gaan , ten zij het aan de bevoegde magt gebleken was , wie en
wat persoon hij was. 
Toen de schout vernam dat wij Hollanders waren,  begreep hij alras in welk geval wij verkeerden , en hij raadde Heinrich aan zich maar niet verder met de zaak te bemoeijen. Maar hoe groot het vermogen van den man in zijne dubbele kwaliteit ook anders zijn mogt , Heinrich stond er op dat ingevolge de verordening , zijne arrestanten verder getransporteerd en er rapport van gemaakt zou worden. Dit laatste zal wel van een overwegend belang hij den dapperen held geweest zijn.

De schout haalde de schouders op en liet ons een snaps geven.  Een nieuwe geleider trad daarop te voorschijn , en met veel plegtigheid gaf Heinrich zijne arrestanten aan hem over. Deze man was slechts met een stok gewapend ; hetzij hij ons als geene onwilligen be-

- 174-

schouwde of wel dat zijne krachten het dragen van een lans , zoo als Heinrich , niet toeliet. En ik geloof , dat dit het kleine bultige mannetje zwaar , genoeg gevallen zou zijn , gezwegen van de zonderlinge figuur die hij er mede zou gemaakt hebben. Niet zonder air stelden hij zich aan ons hoofd , en wij moesten wel instemmen met het gelach , waarin de familie van den schout uitbarstte , toen wij met dezen manhaftigen bewaker verder trokken.

Onze bestemming was , zoo als de schout ons zeide. naar Sagan aan den Bober , een afstand van vier uren.
De weg was goed en ging afwisselend door bosschen en vlakten , en , door den heerlijken Septemberdag be- begunstigd , was de wandeling niet onaangenaam. In de dorpen die wij doorkwamen , trok het overal onze
aandacht , dat de woningen allen door in elkander gevlochten takken , wel eene manslengte hoog , als ingekerkerd waren. Onze geleider gaf ons te kennen , dat dit uit voorzorg voor de wilde zwijnen geschiedde.


Vreemd is het dat wij geen dezer ongure beesten te zien kregen , daar hun getal wel zeer aanzienlijk moet geweest zijn , naar de vrees te oordeelen , die men voor hen had , want zelfs des nachts werden er vuren gebrand om hen af te schrikken.

Onze bultige geleider werd in een derde dorp door een ander vervangen. Deze was een zeer complimenteus man , ten minste voor zijne meerderen ; het maken van complimenten scheen echter wel het eenige te zijn dat hij geleerd had. Naauwelijks waren wij buiten het dorp , of wij zagen een ruiter naderen.   
Reeds in de verte wees onze geleider hem aan als de

- 175 -

officier , die met het bevel in deze streek belast was en dagelijks de ronde deed. Voor ons was dit echter geen zoo gewigtig persoon , als het voor hem bleek te zijn.  
Reeds toen hij hem aanwees had hij den hoed afgenomen , en nog voor de officier ons nabij was , maakte hij met zijne buigingen een begin , ofschoon wij wel zagen dat de man inwendig niet zeer gerust was. De officier hield zijn paard in , en vroeg met een vervaarlijke basstem : " Boer , wat lieden zijn dat ?" --- Arrestanten , genädiger Herr !" buiging op buiging. Ja , dat zie ik! Welke landslieden ?" Maar hierop bleef de man het antwoord schuldig , en wij vonden ons genoodzaakt den hals te hulp te komen , en deelden den officier , zoo goed en kwaad als het wilde ,
onze geschiedenis mede. Toen de officier vernomen had , dat wij Hollanders waren ; voerde hij den geleider toe : " Boer ! dat zijn goede lieden , verstaat ge ? en onze zaak toegedaan ; zeg uit mijnen naam aan den kommandant in Sagan , dat zij goed behandeld moeten worden."

De boer boog zich tot den grond , en de officier reed weg. Deze zoo gunstige toespraak boezemde ons moed in , en gaf een goeden dunk over de ontvangst , die ons in Sagan wachtte. In het vallen van den avond kwamen wij voor de stad. Onze weg was verlicht geworden door de reeds hier en daar ontstoken vuren , waarmede men het vee voor de roofzucht van het wild gedierte poogde te beveiligen.

Toen wij de brug over den Bober overgingen en in Sagan binnenkwamen , waren de lichten reeds ontstoken. Daar het stadje niet groot was , kwamen wij

-176 -

welhaast voor het huis van den kommandant , en stapten leen groot portaal binnen. De geweldige togt , die uit een tegenover : gelegen deur ons tegemoet kwam ; deed ons de op het voorbeeld van onzen geleider afgenomen mutsen weder opzetten ; iets , dat deze zeker voor geen dozijn thalers zou hebben durven doen , en ofschoon het zeer lang duurde eer de kommandant te voorschijn kwam , de beleefde man bleef steeds ongedekt.

" Wat spektakel is dit nog zoo laat in den avond ?" bromde een stem op eens ons tegen , en een. man als een boom , met een gelaat even barsch als de toon , die ons deed opschrikken , stond voor ons. Wij behoefden niet te vragen , wie of wat die man was.---  Onze geleider stond met den mond vol tanden. De welluidende toespraak had hem op eens uit het veld geslagen. Eindelijk , de hoed steeds tusschen de vingers omdraaijende , kwam het er uit , dat wij aan de gren- zen aangehouden waren.

"Breng ze dan naar de hoofdwacht!" klonk het bevel. Wij namen toen de vrijheid onzen geleider te herinneren , wat last hem de officier gegeven had , wij begrepen toch dat het niet te kennen geven daarvan , te zeer tegen ons belang was. De kommandant die de woorden had opgevangen,  welke wij tot onzen geleider rigten , en ze waren ook
wel met voordacht en zoo luide gesproken , dat hij ze hooren kon , daar wij wel begrepen dat onze geleider den moed niet zou hebben ze te overbrengen, zeide : " Ja, ja , ik zal er in voorzien." Die toon beviel ons niet. Er scheen een gevoel van krenking over de aanbeveling in te leggen.

- 177 -

Wij gingen naar de hoofdwacht. Hier vonden wij niemand dan een veteraan , die alle functien , aan dien post verbonden , scheen te bekleeden. Hij nam ons over , en onze geleider kon in den nacht naar de zijnen terugkeeren , zelfs zonder dat hem eenigen dank voor de volbrenging van zijnen pligt geschonken werd. Wij zetten ons hongerig en moede in het eenzame lokaal neder , Eindelijk werd ons brood en boter voorgezet , waarop wij eenen duchtigen aanval deden. Verstandiger hadden wij echter gedaan daarin eene niet zoo groote verwoesting aan te rigten want den volgenden dag kwam niemand naar ons omzien , zoodat wij ons met een nietig overschot moesten behelpen. Tegen den avond van dien vervelenden dag kregen wij gezelschap : twee Pruissische infanteristen , die van hun korps afgedwaald waren. Dit gaf eene aangename afwisseling , en een goed deel van den nacht werd al pratende op de brits doorgebragt.

Den volgenden morgen moesten wij gezamentlijk voor don plaatsmajoor verschijnen. Het resultaat hiervan was , dat de Pruissen naar eene bestemde plaats moesten opmarcheren , en wij , tot ons groot verdriet, tot onzen ouden knorrigen cipier konden wederkeeren , met wien wij gedurig overhoop lagen , en die dit bevel dus evenmin welkom was als ons. Treurig zetten wij ons op de brits neder , en dachten na wat toch wel het einde van dit alles zou worden. Onverwachts traden er twee politiebeambten binnen , welke ons gelastten hen oogenblikkelijk naar Sprottau te volgen.

Dit berigt was ons niet onaangenaam ; wij wilden liever dagelijks zes of acht uren afleggen , dan éé


-178 -

uur in de, sombere hoofdwacht ons vervelen. Langs een' schoonen , afwisselend en weg kwamen wij te Sprottau , aan de rivier van dien naam ; aan. Het beviel ons aanvankelijk niet , dat wij ook hier naar de hoofdwacht gebragt werden ; maar het werd ons terstond vergoelijkt door het voorzetten van eenige spijs , zoo goed als die ons in geene dagen te beurt gevallen was. Na het gebruik daarvan bragten wij den tijd door met onze namen in deze plaats te vereeuwigen ; althans wij schreven ze met een eindje kaars op den gewittelden muur ; volgens het gevoelen van mijnen kameraad zouden de letters in , jaren niet verdwijnen , want al werd de muur nog zoo dikwijls gewit , altijd
zou het vet er weder door te voorschijn komen.

Van Sprottau gingen wij , de rivier verlatende , langs graan- en weilanden , door welig houtgewas afgewisseld. Het was een langen weg dien wij aflegden , maar op elk dorp waar wij rust hielden , voorzagen de burgers ons vervloedig van spijs en drank. Het was reeds avond toen wij te Bolkowitz , een nog kleiner plaatsje dan Sprottau aankwamen. De hoofdwacht was op nieuw ons logement , doch daar hier talrijke gasten waren , werd de avond nog al vrolijk doorgebragt.

Den volgenden morgen trokken wij naar Lüben , langs eenen heuvelachtigen weg , en vandaar naar Liegnitz aan den Katzbach. Op dezen weg droegen  de dorpen nog menig teeken van de verwoestingen, door den krijg achtergelaten , en in de nabijheid der stad moesten wij den neus digthouden voor de verderfelijke lucht die hier heerschte , want onder den



-179 -

grond , door ons begaan , rustten de lijken van menschen en paarden , in den strijd om deze stad gevallen.
Liegnitz scheen wel eene verzamelplaats van militairen van allerlei wapens , even als wij in de hoofdwacht een mengelmoes van alle natien vonden. Russen , Polen , Hanoveranen , Hollanders , Pruissen en boeren , veroorzaakten een chaos van verwarring in taal en kleeding , zoo als ik bij mijne omzwerving nog niet aangetroffen had. Tegen den avond echter wachtte ons nog een ander schouwspel : wij zouden nog vreemder natie zien. Een corps Baskiren zou de stad binnenrukken. Met gespannen aandacht werd die horde verbeid. Ik zeg horde , want het was niet anders , die bende kleine en als ineen gedrongen menschen op hunne magere paardjes ; gekleed met eene afgesletene kapot , om den middel met een touw of koord vast gebonden , en op het hoofd een geele spits toeloopende muts ; daarbij hadden zij bleeke platte aangezigten met schitterende zwarte oogen ; hunne wapenen be-
stonden meestal uit pijl en boog , enkelen hadden buksen. Zonderling mag deze optogt voor de Liegnitzers en voor ons geweest zijn , maar dit was ook alles wat er van te zeggen viel.

Wij hadden vrijheid de stad in te gaan , maar de drukte die er heerschte deed ons weldra terugkeeren.
Wij vonden om ; gezelschap met eenige boeren vermeerderd , welke bij de Baskiren op transport gereden hadden. Er waren nu in de hoofdwacht zoo wat 40 man bijeen. De tafels , van een lomp en dik maaksel , zoodat er wel een os op geslagt kon worden in het vierkant langs de wanden geplaatst , konden 


- 180-

niet al de personen bevatten , zoodat er bij ; afdeelingen gespijsd moest worden. Velen die nog geld had-
den , maakten naar de wijze van hun land , de spijs gereed , en iedere troep had een afzonderlijken pot , die soms al vreemde kost bevatte. Wij waren van allen wel het slechtste af ; ons werd niets gegeven. Koopen konden wij niet aan het buffet , dat ook hier aangebragt was. Honger echter zoekt list , en wij sloten ons dus eindelijk bij een troepje aan , waar men ons eerst wel wat onvriendelijk aanzag maar toch liet mede lepelen. Na den maaltijd werd er alge-
meen gerookt , doch of men in Rusland in deze kunst wel zoo bedreven was als bij ons en in Duitschland ,
meen ik te moeten betwijfelen ; want mijn Russische buurman deed het op zoo wonderlijke manier , dat het
scheen alsof hij voor het eerst in zijn leven eene pijp in den mond had.  Intusschen had men eenige stroobossen voor ons nachtleger binnen gebragt , welke op den grond uit
gespreid werden. Het ter ruste gaan ging al zeer  onregelmatig , velen konden van het buffet zoo schielijk niet scheiden. Wij hielden ons in het centrum van den hoop en lagen daardoor wel warm , maar niet zeer gemakkelijk ; want menigeen welke eens naar buiten moest , maakte eene tuimeling over ons henen. Geen oogenblik was men veilig , daar men nu eens een trap dan een geheel ligchaam op de beenen kreeg.

En het was niemand kwalijk te nemen , daar ik , mede eens de kamer moeten de verlaten , dezelfde ongelukken beging , en het als een meesterstuk leerde aanmerken de verlatene plaats weder magtig te worden


- 181-

Aangenaam was het ons dat de dag aanbrak , want lang hadden wij het in dit benaauwde vertrek niet meer uitgehouden. Naar versche lucht snakkende , ijlde ik naar , buiten , en kwam niet weder binnen voordat de laatste
overblijfsels van het vunsige nachtleger verdwenen waren.

Eindelijk was ook de beurt aan ons om naar het bureau van den plaatskommandant geleid te worden. Toen wij daar de vragen, " welke landslieden wij waren , onder welk corps wij gediend hadden en hoe wij gevangen genomen waren , " beantwoord hadden , deed men ons naar een lokaal vertrekken , voor hetwelk acht boerenwagens stonden , die met geblesseerde Franschen en Pruissen geladen waren , ten einde naar Breslau vervoerd te worden.

Met dit transport vertrokken wij onder geleide van eenige soldaten naar Neumark , een afstand van 8 uur gaans , zoodat het reeds laat in den namiddag was , toen wij dit stadje binnenkwamen. De geblesseerden werden in de kerk gelegerd , doch wij naar de hoofdwacht geleid , een ellendig verblijf , dat niets opleverde dan een hoop verrot stroo , en eene lompe tafel die voor een venster stond , waarin geen enkele ruit meer aanwezig was.  Dit was een treurig gezigt voor vermoeiden , en  voor de hongerigen liet het hier ook niet veel verwachten. Wij naderden den grijzen veteraan , die hier het kommando had , en zeiden hem , " dat wij den burgemeester " van onze komst zouden gaan kennis geven , want dat dit geen verblijf was." Ofschoon de oude geweldig hier tegen pruttelde , en ons gedurig
zijn arrestanten noemden , wij stoorden er ons niet. aan , maar gingen den burgervader opzoeken,


-
182 -

Inkwartiering konden wij echter van hem niet verkrijgen , maar hij beloofde voor spijs en drank te zullen zorgen. En de man hield woord. Daar de hoofdzaak dus in orde was , en het ons destijds weinig uitmaakte , of wij op stroo of op planken sliepen , zoo maakte ik mijn leger op de tafel voor het venster , en mijn kameraad lag zijn hoofd op het kaf neder.

Den volgenden ochtend waren wij reeds bij tijds op de been , ten einde naar Breslau op te rukken. Breslau waarnaar wij verlangden als de plaats onzer bestemming niet alleen , maar waar wij tevens zouden vernemen , wat men met ons voorhad. Weldra waren wij aan de kerk , waar onze ongelukkige reisgenooten nachtverblijf gehouden hadden. Het was een droevig tooneel , waarvan wij hier ooggetuigen werden ; de geblesseerden werden juist op de wagens gelegd. Hoe die ligging was , zal men zich kunnen voorstellen , als men weet dat de wagens der boeren in Silezië in
het midden slechts eene plank hebben , en de zijden uit latten bestaan , die wel op een voet afstands van elkander gespijkerd zijn. Menige arm en been slingerde dus van den hortenden wagen heen en weder , en het kon niet anders of de wonden moesten van tijd tot tijd openspringen , die dan bij gebrek aan linnen, met stroo en lappen omzwachteld werden. Het gekerm en gejammer dezer ongelukkigen , die reeds eenige dagen op zulk eene wijze vervoerd waren en bovendien door honger en dorst gekweld werden , was naauwelijks aan te hooren.

Door een bijzonder toeval geraakten wij echter van dit treurig gezelschap ontslagen. Een Poolsche boe

-188 -

die met zijn wagen den weg naar Breslau opging , werd door een' der soldaten van ons , escorte gelast , ons op te nemen , en ofschoon de soldaat mede opklom en het dus twijfelachtig bleef of het om hem of om ons was , dat hij den boer preste , wij rekenden ons gelukkig het gejammer te ontwijken en zoo gemakkelijk onzen weg te kunnen vervolgen.

De route van Neumark naar de hoofdstad van Silezie was zeer eentoonig , hier en daar heuvelachtig , eene enkele maal door bouwland en kreupelhout afgewisseld. Ter halverwege dezer route hielden wij in het dorp Leuthen halt , bekend door de overwinning , welke Frederik de Groote , 5 December 1757 met 36,000 man op 80,000 Oostenrijkers behaalde.


In de kom van dit dorp , bij een steenen gebouw, dat een wirthshaus bleek te zijn , werden de paarden uit- gespannen en ververscht. Daar onze middelen geene uitgaven veroorloofden , waren wij blijde dat de boer
schielijk weder voorspande en de reis vervolgd werd , Ons gezelschap was hier echter met drie personen
vermeerderd , als een Rus , een Pruis en eene vrouw , die ik niet weet waar te huis behoorde , Het was dus een amalgama van talen en kleederdragten ; maar hoe verschillend in dezen , in iets stonden wij allen gelijk --- in doodarm te zijn.

Breslau. lag eindelijk voor ons ; toen wij de voorstad inreden , werden de lichten reeds ontstoken.
Aan de poort moesten wij afstappen , en het transport afwachten , dat zeer lang uitbleef. Wij waren niet zeer vrolijk gestemd , De onzekerheid wat ons lot zijn zou , hield te veel onze gedachten , door niets 

- 184 -

afgeleid , bezig. Laat in den avond kwam eindelijk het transport aan , en wij gingen de stad in. Had ik kunnen vermoeden wat mij hier boven het hoofd hing --- ik had van menig gunstig oogenblik gebruik gemaakt en Breslau den rug gekeerd. -- Maar wie kan vooruitzien wat op de levensbaan hem wacht ?

Na onderscheidene straten te zijn doorgegaan , kwamen wij aan de hoofdwacht. Hier werd bij het licht van eene lantaren eene scheiding onder de gewonden bewerkstelligd. De Franschen werden naar een afzonderlijk lokaal vervoerd ; wij werden bij hen ingedeeld. Het was middernacht toen wij in het voor ons bestemde kwartier aankwamen ; een ellendig verblijf. Bij het flaauwe licht dat er brandde zagen wij dat het hier vol gekwetsten lag , en slechts in het midden der kamer een klein voetpad open gelaten was. Het was een jammerlijk schouwspel , waarvoor men op het eerste gezigt moest terugdeinzen ; hartverscheurend daarenboven door het gekerm en de luide
klaagtoon en , die deze ongelukkigen hooren lieten.

En hier moesten wij verblijven ! Wat zouden wij anders beginnen , in de vreemde stad , in dit uur ? Wij moesten dus wel trachten naar een plekje om te kunnen rusten. Het was echter onmogelijk dat wij bij elkander konden blijven. Na lang zoeken kwamen wij eindelijk schuins tegen over elkander te liggen. Tegen verwachting geraakte ik welhaast in slaap. Weldadig geschenk der Godheid ! hoe dikwerf heb ik uw heulsap genoten , en in diepen sluimer de zorgen en het leed. dat mij des daags drukte mogen vergeten !



--ooOoo--


HOOFDS'l'UK XIX.

••
Vreesselijk schouwspel. Ellende op ellende. Het groote lazareth. Als

krankbewaarder aangesteld. Tegenzin in dit leven. Besluit het vaar-
wel te zeggen. Afscheid van Koke. Voornemen. Voor spion aan-
gezien. Het verblijf in de gevangenis.
••


Ik stond des morgens nog al welgemoed op. Toen het daglicht mij veroorloofde de kamer rond te zien , voelde ik mij met ontzetting bevangen. De dood had vreesselijk in ons midden gewoed. De sergeant die naast mij lag , had den adem uitgeblazen , het bruis stond hem een vinger dik op den mond ; behalve deze was menig ander offer gevallen. Eenige oppassers waren reeds bezig de in lakens gewikkelde lijken , de eene na de andere , in stilte weg te slepen.

Mijn lotgenoot sliep nog rustig door. Ik wekte hem en wij verlieten de zaal , om versche lucht te scheppen , en bevrijd te wezen van soms geprest te worden , tot het helpen wegvoeren der lijken. Naauwelijks waren wij de deur uit om op het plein te komen, of wij struikelden over een doode , die daar op een weinig stroo als nedergesmeten , en van iedere bedekking beroofd was.

Wij dachten al veel ellende gezien te hebben, maar hadden op verre na nog niet alle treurtooneelen aanschouwd , die Breslau destijds opleverde. Spoedig

-186 -

kwamen wij daartoe in de gelegenheid , daar ook wij gelast werden om de zwaar gekwetsten op draagbaren naar eene kerk te vervoeren.  De gansche omvang van dit groote gebouw portalen en al , was opgevuld met gekwetsten en het koste moeite en overleg , wanneer· er nieuwe lijders binnengebragt werden , om er eene plaats voor te vinden en alsdan de reeds gelegerden niet te bezeren. Bovendien waren wij ons zelven niet meester ; want dan hield de een ons bij de hand vast en vroeg een dronk water , terwijl een tweede ons bij het been greep en om een stuk brood bad. Dáár waar vroeger de orgeltoonen , door de gewelven klonken , en het gezang der geloovigen opsteeg , hoorde men nu het ijsselijk gekerm der gewonden en , het rogchelen der stervenden , het weenen van den een' , maar ook het vloeken van den ander , waar tusschen de ruwe toonen der oppassers invielen. Ellendiger schouwspel zag ik nimmer , en nooit zal de herinnering daarvan mij uit het geheugen gewischt kunnen worden.


Hoe verheugd waren wij niet toen onze taak , hier
eindelijk geëindigd was , toen wij dit verblijf der smart verlaten konden en de verpestende lucht die er heerschte ontwijken mogten!  De dood waarde vreesselijk rond in die dagen
binnen Breslau. En hoe kon het ook anders ? De meesten der hier verpleegd wordende , waren bij Löwenberg en Golberg gewond , en hadden dus, dagen en nachten getransporteerd moeten worden , zonder goed verbonden of behoorlijk gereinigd te zijn. Velen bereikten dien ten gcvolge het lazareth niet , en die


- 181 -

het bereikten , zelfs van de ligt gewonden , moesten veel verergerd zijn eer : zij daar aankwamen , en dan moest , bij zulk eene menigte de hulp wel wat te wenschen overlaten.  Wat ik hier opmerkte , werd mij later door een
plaatsgenoot bevestigd , wiens remplaçant ook destijds in de genoemde kerk verpleegd was geworden.

Wij keerden in ons verblijf terug. Dit was een groot steenen gebouw , vroeger een magazijn van militaire uitrusting , doch dat door de omstandigheden destijds almede voor een hospitaal dienen moest.  Wij bleven hier echter niet lang , daar wij naar een ander lazareth verwezen werden , dat een houten gebouw en meer doelmatig ingerigt was. Hier werden wij als krankenbewaarders aangesteld. Een moeijelijke en drukke post. De eene wagen met gekwetsten na den ander hield voor het hospitaal stil , "Allons camerades ! Je suis blessé !" klonk het ons dan te gemoet , en de een hield een arm , de ander een been in de hoogte , om de aandacht te trekken , want ieder wilde de eerste van den wagen zijn.


Zoo goed als het maar gaan wilde , sloeg men ons dan de armen om den hals , en wij torschten de vracht naar boven , regts of links om , en leiden onze last op de britsen , waarop matras noch stroo te zien was. En dit ging steeds voort , zoodat binnen weinige dagen ook dit gebouw met geblesseerden als gevuld was.

Wij hadden dus handen vol werk. Iederen morgen moesten de gekwetsten verbonden , en meestal ook dooden weggedragen worden , waaraan wij als krank-

-188 -

bewaarders behulpzaam moesten zijn. Een voordeel was aan dit laatste verbonden ; wij traden namelijk als
erfgenamen der overledenen op ; daarenboven kosten de dooden minder moeite dan de levendigen. Wanneer
de lijken tot aan den trap gesleept waren , klonk het : Laat de Franzoos maar glijden!" en zoo ging het dan ook. Onnatuurlijk was deze manier van handelen, en het gansche leven in dit verblijf stuitte mij ; gezwegen nog van de verpestende lucht en het slechte strooleger , dat ons daar tot slaapplaats diende. Het werd mij hier zóó hinderlijk, dat ik mijnen kameraad voorstelde , dit verblijf der ellende te verlaten en een goed heenkomen te zoeken. Koke had daar echter veel op tegen , omdat wij het hier anders uitmuntend hadden ; want daar wij de zieken uit de
zoogenaamde keuken des middags hunne portions moesten brengen , zoo waren wij aan een goeden koop , en ofschoon wij geene koks waren , toch te digt bij het kombuis om er voor dood te blijven ,

Ik moest hem het voordeelige van ons verblijf toestemmen , even als zijne vraag : “ Waar zullen wij het beter vinden ?" En ook ik wilde hem niet gaarne verlaten , na zooveel met elkander ondervonden en geleden te hebben.

Ik schikte mij dus in mijn lot ;  maar na eenige dagen vreesde ik ziek te zullen worden. Mijn eetlust hield geheel op , en de ondragelijke pestlucht begon haar benaauwenden invloed op mij uit te oefenen. Van twee zaken moest ik dus kiezen.   Wilde ik gezond blijven dan moest ik gaan , en mijn vriend verlaten ; bleef ik , ik zag eene ziekte te ge-
moet , en de dagelijksche ondervinding had mij te

- 189-

wel geleerd wat dat hier te beduiden had. Mijn besluit was genomen. Op zekeren morgen drukte ik mijn trouwen lotgenoot hartelijk de hand. Dat vaarwel , dat oogenblik trof ons beiden diep! Ik rukte mij los en snelde heen.

Volgens mijn inzien , handelde ik goed en verstandig door te gaan ; maar de uitkomst leerde , dat ik misgerekend en beter gedaan had , de raad van Koke te volgen , en hier te blijven.

Acht of tien dagen had ik den post van krankbewaarder waargenomen , toen ik het lazareth verliet.


Geen schildwacht , die mij bij het uitgaan tegenhield , en ik ging de stad in , ten einde aan het bureau der policie een paspoort te vragen. Wel wat bevreesd meldde ik mij daar aan. Ik werd in een vertrek gelaten , waar een groot personeel aan de lessenaars zat.


Daar de chef met iemand een druk gesprek voerde , had ik de tijd te over om om mijn oogen eens rond te laten gaan. Het meeste werd mijne aandacht getrokken door eene aan de wand hangende landkaart , en ik hield mij gedurende dit wachten bezig met eens na te gaan , hoe ver ik nog wel van mijn geliefde Vaderland en de mijnen verwijderd was. En die afstand hoe groot was zij niet ! al kon mijn oog ze meten op het doek voor mij ; zooveel , zoo oneindig veel wekte dat staren op die kaart in mijne herinnering op.

Eindelijk was de beurt aan mij , en ik gaf den chef , in zoo goed duitsch als mij mogelijk was , mijn verlangen om een pas te kennen. Hij vroeg mij daarop : Wat voor landsman ik was , hoe ik te Breslau kwam


-
190-

en of ik onder de Franschen gediend had ?" Op de eerste vraag antwoordde ik naar waarheid ; maar op de anderen gaf ik te kennen , " dat mijn vader een stalhouder in Amsterdam was ; dat ik , door de Franschen geprest om te rijden , in de retraites bij Löwenberg en Golberg paarden en wagen verloren had , en toen door de landweer te Sagan krijgsgevangen gemaakt , naar Breslau getransporteerd was."

Van deze verklaring , die logen en waarheid tevens bevatte , werd terstond proces verbaal opgemaakt. Maar waarom die valsche verklaring , zal men vragen ? Was eene eenvoudige opgaaf der waarheid niet beter geweest ? Dat leerde mij het vervolg en de leugen welke ik bezigde , al dacht ik die hier in mijn belang te zijn , leidde mij ten verderve.

Zoo iets een afschrik van het liegen moet geven , mijn voorbeeld in Breslau mag het zijn. " Een leugen om best wil is geen zonde , " zegt het spreekwoord , en ik hechtte er aan ; want ik sprak ten koste der waarheid , uit vrees , dat , wanneer ik zeide soldaat geweest te zijn , men mij weder tot de dienst gedwongen zou hebben ; om daarvan bevrijd te zijn , bezigde ik de kunstgreep, reeds bij de Saxische boeren met zoo goed gevolg bekroond.

Het procesverbaal was schielijk afgeschreven , en het werd mij voorgelegd om te onderteekenen. Ik deed dat. Niet zoodra had een der bedienden een oog op mijne handteekening geslagen , of hij voerde mij toe: " Gij zijt een spion , dit schrift is te schoon voor een voerman!" Eer ik tijd had mij op die beschuldiging te verdedigen , pakte de chef mij bij den

-191-

kraag , en geleidde mij het bureau door , eene binnenplaats over , naar een veel kleiner gebouw. Hier zat een man in een gestoelte , zoo als in mijne jeugd nog de scholen versierde.

Deze herhaalde mij de straks gedane vragen , waarop ik eensluidende antwoordde. Hiervan werd slechts eene kleine aanteekening gehouden. Toen werd ik van het hoofd tot de voeten gevisiteerd. Ik kon dit gerust zijn gang laten gaan ; want mijne geheele bezitting bestond uit een oud duitsche pijpje , een zakje tabak , en een fragment van een neusdoek. Het was wel geen wonder dat men mij die zaken behouden liet , daar ze het opnemen niet waardig waren.

Ik erkende het , dat in deze omstandigheid , het plunderen door de Kozakken mij een voordeel gaf. Had ik mijne portefeuille met de kaart , en mijne brieven van voorschrijving op Parijs nog gehad , ik zou eene zware verantwoording gehad hebben , en had ik mijnen riem behouden , dat geld zou voorzeker , het schamele kleed dat ik droeg , nog meer als eene vermomming hebben doen aanmerken.

Toen de visitatie geschied was , werd ik weder bij den arm genomen , en door eenen smallen gang geleid , waarin een deur ontsloten en ik in een klein kamertje gestoten werd. Tot mijne verwondering bevond ik mij hier in gezelschap van een paar dames , die dezelfde eer genoten van achter het slot te zijn , en even als ik op de beenen moesten blijven staan , daar er geen stoel of bank was om te gaan zitten. Een glas in de hooge zijmuur liet het eenigste licht door , en daarbij zag ik dat de kleeding dier dametjes


- 192 -

juist niet die der fatsoenlijkste klasse was. Zij verlieten mij echter spoedig en ik bleef alleen.

Wat mag , peinsde ik toen , toch wel de reden zijn , waarom men mij voor een spion houdt ? Die naam-
teekening toch kan alleen de oorzaak niet wezen ; want al is mijn schrift niet slecht te noemen , ik heb er hier
mijn best niet toegedaan. Ik hield het dus voor een voorwendsel en geloofde dat het oplettend nagaan en
lang vertoeven voor de landkaart er aanleiding toe gegeven had. Dit had , de opvoeding der klasse in aan-
merking genomen , waartoe ik voorgaf te behooren en die bij de Duitschers vergelijkende , waarschijnlijk
het denkbeeld van bedrog bij hen doen opkomen , en ik daaraan dit en het latere verhoor te danken.


Drie kwartieruur had ik mogelijk in dit hok door
gebragt , toen de deur geopend werd en twee policieagenten mij gelasten hen te volgen. Als een misdadiger ging ik in hun midden eenige straten door tot wij aan het stokhuis kwamen , een lokaal waarin men voorloopig de aangehouden personen plaatst , tot dat de regter over hun lot beslist heeft.

Het niet zeer aanlokkelijk aanzien van het gebouw, dat in eene der minste wijken van de stad stond , stemde mij niet gunstig voor het inwendige en wat mij er wachten zou. Dit verbeterde niet , toen op het nedervallen van den ijzeren klepper , de deur geopend werd. Een man die een breede lederen band om het lijf had , aan welke eene groote ijzeren ring , met eene menigte sleutels hing , en die de cipier was , nam mij over. Hij liet mij een trap opklimmen , en geleide mij vervolgens in eene kamer , waar de inspector van

-193 -

dit gesticht gezeten was. Voor de derde maal : werden mij hier bijkans dezelfde vragen gedaan. Mijn antwoord week niet in het minste van de vorigen af.  Daarop werd ik nogmaals gevisiteerd. Toen dit afgeloopen was , stopte men mij een zwart brood in de hand , en werd ik weder naar beneden en op een plein geleid , waar eene menigte personen rondliepen.

Zoodra ik mij vertoond had , stormden er eenigen uit den hoop naar mij toe , met de vraag: " Wat landsman zijt gij ?" Toen ik dit te kennen gegeven had , bragt men mij bij een Brabander , die met vrouw en kind hier gevangen zat , en in eene der retraites eene wonde aan de hand bekomen had ; zijne vrouw was vivandière bij het korps geweest. Zij hadden alles verloren. Ofschoon ik den man en hij mij nooit gezien had en wij van verschillenden landaard waren , was onze ontmoeting zeer hartelijk. Wij gevoelden ons onder al die vreemden , toch eenigzins door de banden van nabuurschap , vereenigd. Al zeer spoedig vroeg ik hem : hoe het hier was. " Ellende van het begin tot het einde ," antwoordde de man , " en het zal mij aangenaam zijn , als ik den pas bekom , waarop ik nu al dagen wacht." Intusschen  klopte mij een ander op den schouder , en zeide , op het brood wijzende , dat ik nog altijd in de hand had , daar ik het nergens bewaren kon , " dat ik dit in de kamer ," welke hij mij wees , " maar moest nederleggen." In goed vertrouwen deed ik het. Maar toen tegen den avond de inspector met den cipier , bij het licht van een lantaren , de ronde deed , toen


-
194 -

zocht ik tevergeefs naar mijn brood , en ik bemerkte mij, een kool gestoofd was.

Eene korte beschrijving van het gebouw , waarin ik zes weken moest doorbrengen , wil ik hier laten volgen. De binnenplaats , waar ik het eerst gebragt werd , was een langwerpig vierkant , voor een deel door rasterwerk afgesloten. Het was omgeven door oude houten gebouwen , waarvan er een met eene galerij voorzien was , waartoe men van buiten langs eenen trap moest opgaan. Het middelste dier gebouwen had eene groote sombere zaal , waarin zich niets dan eene tafel en twee of drie banken bevond. Aan dat gebouw grensden ter wederzijden de lokalen ; die tot nachtverblijf dienden ; deze waren van britsen voorzien.


Ons verblijf was steeds boven daar zich beneden de 
hokken bevonden voor hen die deze gunst niet waardig gekeurd werden , en waar het er afzigtelijk uitzag. Het afgescheiden deel van het vierkant was voor vrouwen bestemd. De andere gebouwen dienden tot verblijf voor den inspector en voor degenen , die met het opzigt over de gevangenen belast waren.
Toen wij den zijvleugel van het gebouw , waar wij nachtverblijf houden moesten , binnentraden , werd eene geweldig groote deur met ijzeren stangen , waarvoor nog een houten blind geslagen was , geopend. De inspector liet er mij met twintig personen ingaan , terwijl de overigen naar eenen anderen vleugel gevoerd werden , en smeet toen de deur digt. Wij stonden hier op eens in het donker , daar uit geene enkele opening licht dringen kon. Vreemdeling in dit verblijf zijnde , zoo wist ik niet waar ik mij wenden of

- 195-

keeren moest , om ergens een plekje te vinden , waar ik mij nederleggen kon. En reeds scheen ieder in het bezit daarvan te zijn , toen ik nog dolende en tastende rondliep. Eindelijk greep een kleine jongen mij bij de hand , en ik had eene rustplaats. Maar hoe ? Ik lag op eene ellendige stroomatras , met gaten waarin mijne voeten zich konden verbergen. Eene akelige huivering ging mij door de leden. God! hoe ver was het met mij gokomen , dat ik in zulk eene ellende , in zulk een gezelschap verkeeren moest !

Dit denkbeeld en het geprevel van een mijner naburen , die ik later ontdekte een Poolsche jood te zijn , hield mij den slaap uit de oogen. Eindelijk echter moet ik ingeslapen zijn , want met schrik werd ik des morgens wakker. Het was echter door niets anders dan het geweldig knarsen der ijzeren deur van onze gevangenis , die ontsloten werd. Wij mogten de frissche lucht genieten , en ik haaste mij op de galerij te komen , en rukte mijnen halsdoek af. Wat ik vreesde was waar ; dozijnen kozakken , zoo als men ze noemde , hadden overal inkwartiering gezocht , en het
duurde geruimen tijd eer ik mij eenigzins van die afzigtelijke gasten ontslagen had. En dit was nog maar de eerste nacht , dien ik hier doorgebragt had !

Vreesselijk was dit ongedierte hier genesteld. Om er een voorbeeld van bij te brengen , hoe onrein het in dit verblijf was , diene het volgende : er was een Polak , die geen ander deksel bezat , dan den om zijn lijf gewikkelde groenen deken ; deze man geleek eene landkaart door het vele ongedierte , dat op dien deken omkroop , en die man wandelde tusschen ons door , die man zette

-196 -

zich nu op deze dan op gene bank neder ; die man sliep op onze matrassen ; die man had aanvallen van vallende ziekte , waardoor hij soms nederstortte en wonden bekwam , dat hem uit den aard der zaak nog afzigtelijker voorkomen moest geven ! Ongelukkiger schepsel dan hij was er niet in ons midden , en men zag het aan hem hoe weinig zorg er voor ons gedragen werd , daar het een geruimen tijd duurde eer men naar den Polak omzag , tot dat men eindelijk wel genoodzaakt was hem door het herhaalde gebruik van baden van zijne kwaal te bevrijden.


Des morgens , als de reiniging geschied was , was
het gelui van een kleinen bengel het signaal , dat de soep uitgereikt zou worden. Uit een grooten ijzeren ketel werd ieders portie opgeschept ; tegelijk ontving men een zwart brood. De meesten gaven zich den tijd niet om met dit ontbijt naar de zaal te gaan , maar nuttigden het staandevoets. De soep , die uit aardappelen en meel scheen te bestaan , was zoo dun , dat het eerder drank dan spijs geleek. Later was ik zoo gelukkig een houten lepel te mogen gebruiken.

Deze spijs was het eenige dat wij in 18 a 20 uren ontvingen ; want na acht uren des morgens werd er niets meer uitgereikt. Wat voor mij die karige maat nog ondragelijker deed zijn , was dat het brood mij de maag als verzuurde, en dus tot geen voedsel verstrekte. Bij dit gebrek lijden was er echter een geluk : men vorderde geen werk van ons. Ware dit het geval geweest , ik had nog meer op eene schim geleken , dan nu reeds het geval begon te worden. 

De eene dag kroop als het ware na den anderen

- 197 -

voort in dit ellendig verblijf. Meestal was ik aan mij zelven overgelaten , daar ik mijne lotgenooten slecht verstaan en bijgevolg nog minder met hen spreken kon. Dikwerf zat ik dus in gedachten als verloren , en dat dit geene bemoedigenden waren , zal wel geene verzekering behoeven. En toch , dank het gevoel mij , in der jeugd ingeprent --- een gevoel dat te sterker klimt naarmate lot en lijden ons treft en behoefte doet gevoelen aan een steun en troost , magtiger dan menschen geven kunnen --- ik werd niet moede op God te vertrouwen. In Hem zocht ik kracht en sterkte , om niet te bezwijken bij het harde lot dat mij trof.

Hoe dikwerf vloeide in luide toonen , het schoone Evangelische gezang van mijne lippen : " Wie maar den goeden God laat zorgen !" Dit lied beurde mij op en bemoedigde mij. Menigeen mijner lotgenooten –- ik zag het --- kon zich niet begrijpen , wat mij in de boeijen nog lust tot zingen deed vinden.


--
ooOoo--


HOOFDSTUK XX.


••

Arbeid. De spinmeester, Nieuw verhoor. De strik. Nieuwe bezigheden
en nieuwe ellende. Wanhoop. Blijde tijding. Verlossing. Bittere
teleurstelling. In boeijen. Laatste redmiddel. Vertrek uit Breslau.
••


Het eentoonige leven hield eindelijk op. Op zekeren morgen trad er een heer in onze zaal en gelastte mij hem te volgen. Hij ging mij voor naar de bovenste verdieping , waar negen spinnewielen lustig rondgingen en eenige gevangenen bezig waren met het sorteren en hekelen van wol. Ook ik werd aan dit werk gezet. Het hekelen nu was niet moeijelijk te leeren , maar met opzet deed ik alles verkeerd ; want werken en geen eten , kon naar mijne gedachten niet zamen gaan.

De spinmeester had echter veel geduld met mij. Hij was , een nog jonge man , van eene schoone gestalte. Toen ik de eerste maal in zijne nabijheid kwam , zag ik dat hij aan ieder been ijzeren beugels had , die door een zwaren ring aan elkander geklonken waren , zoodat hij hoogst gebrekkig gaan kon. Zooveel ik van mijne medegevangenen begrijpen kon , had hij reeds lang die boeijen getorscht , en wel , omdat hij als soldaat met zijn officier twist ge-
kregen , en dezen in drift overhoop gestoken had. Van eene aanzienlijke familie zijn de , was de uitvoering
van zijn doodvonnis door de aanhoudende procedure

-199 -

tot hiertoe op de lange baan geschoven. .Men heeft hem echter niet kunnen redden , daar hij binnen weinig dagen aanzegging kreeg , dat hij zijn leven op het schavot moest eindigen. Meer dan eens zag ik de priesters naar zijne kamer gaan , om hem tot dien noodlottigen overgang voor te bereiden en de troostmiddelen der kerk toe te dienen.

Drie of vier dagen bragt ik op den spin zolder door , doch daar ik meer bedierf dan goed maakte , zoo werd ik eindelijk door den heer , die deze werkzaamheden gepacht scheen te hebben , bij den kraag gepakt en als onbekwaam den trap afgezonden. Eenige dagen daarna werd mij ander werk aangewezen. Met nog een Hollander , in dezen tusschentijd hier binnengebragt -- de Brabander was vertrokken – moest ik in een hok hout voor de keuken kloven. Hier verschafte ik mij den vroeger gemelden lepel. Van tijd tot tijd werd ik ook geprest om met de dienst-
boden een gladmangel heen en weder te rollen , en het reine linnen , dat hier behandeld werd , stak veel af bij een werk dat ik soms mede moest waarnemen , waarbij ik met een kameraad verpligt werd , om een balie met vuil uit de gevangenis in eene der stadsgrachten te gaan ledigen.

Ik had naar gis vier weken hier vertoefd , toen er twee agenten van policie verschenen , die mij gelastten hen naar het bureau te volgen. Hier onderging ik op nieuw een verhoor. Ik droeg wel zorg mij strikt aan het vroegere procesverbaal te houden , Dit scheen den chef echter nog niet voldoende. Hij gaf mij een brief over , met verzoek , daar hem het hollandsch

- 200 -


slecht bekend, was , den inhoud voor .te lezen. Ik begreep dat mij een strik gelegd werd , en , om mijn 
voermanskarakter niet verder in verdenking te brengen , las ik den brief , ofschoon die goed gesteld en  flink geschreven was , vrij , stotterend voor. Den inhoud van dien brief , ofschoon hier , niets afdoende , herinner ik mij , wat de hoofdzaak ; betreft , nog vrij goed.


Hij behelsde een omstandig verhaal van een militair ,  die aan zijne te Rotterdam wonende moeder kennis gaf ,
dat hij gewond was geworden , maar hoopte eerstdaags in zooverre hersteld te zijn , dat hij naar het Vader-
land kon terugkeeren.

Ik gaf den brief terug , en de dienaar kreeg in last mij weder weg te voeren. Ik nam echter alvorens de vrijheid den chef aan mijn , eerste verzoek, om een paspoort te herinneren. Hierop werd niets geantwoord - maar wel werd mij aangeboden bij het Pruissische leger dienst te nemen ; dat ik weigerde.

Ik was dus niets gevorderd , en de hoop , die voor een oogenblik mij bezield had , verdwenen. Moedeloos keerde ik tot mijne medegevangenen terug , die mij reeds als ontslagen beschouwd hadden. Ik ging naar de zaal , om daar in stilte te kunnen weenen ; maar deze was , gesloten ; het nakroost Israëls vierde daar zijnen sabbath.


Ook tot ons werd des Zondags een godsdienstig
woord gesproken. Dit geschiedde op de binnenplaats, waar aan een der muren een kansel gehecht was , en als de leeraar voor de om hem heen gezetenen optrad , kon hij op een eerbiedig en aandachtig gehoor roemen. Meer dan eens gevoelde ik diepe spijt 

- 201-

dat ik zoo , weinig van wat hij sprak en ons toevoegde verstaan kon.

Bij alle de werkzaamheden , die ik hier al verrigte en opgenoemd heb , vergat ik er eene : de aanstelling tot oppasser bij een heer uit den geslachte Abrahams , die door verkeerde kunstgrepen , bij eene leverantie voor de armee gebruikt , ter overdenking daarvan hier heen gezonden was. Hij had eene vrije kamer en teerde , naar het mij toescheen , op eigen kosten.

Toevallig was ik met hem in gesprek geraakt en het kwam , hoe weet ik niet meer , tot het noemen van eenige
Amsterdamsche handelhuizen , waarmede de leverancier zeer goed bekend was. Daar ik dit onderhoud in het fransch met hem kon voortzetten en zulks hem niet ongevallig scheen , sloeg hij mij voor , hem elken morgen te bezoeken , terwijl ik dan tevens zijne kleederen borstelen , laarzen poetsen en meer dergelijke huisselijke diensten verrigten kon. Ik nam dit gaarne aan , en ontving telkens een of twee grosschen voor mijne moeite.

Maar van dit ambt , hoe weinig vereerend ook , maar toch aangenamer dan menig ander werk , waartoe men mij riep , werd ik na weinig dagen ontslagen , daar mijn patroon vestingarrest opgelegd werd. Hoezeer dat verlies mij trof , erger was echter dat van mijn landgenoot , die aan een keten geboeid , naar de vesting Cosel , 36 uren van Breslau , getransporteerd was geworden.

Mijne omstandigheden , werden dus van dag tot dag treuriger , en het geweldige hongerlijden had dien bitteren graad van hoogte bij mij bereikt , dat , terwijl men eens des middags een zeker persoon , (om welke reden dezen dit voorregt te beurt viel , weet ik

- 202 -

niet) eene portie warm eten overreikte ; ik de kamer uit moest , toen de geur mij bereikte ; want ik,zou in staat geweest zijn , hem den schotel uit de handen te rukken. Meer dan eens ging ik naar de plaats , en zocht uit den bak , waaruit de ganzen gevoederd werden , de stukken brood , die zij overgelaten hadden , om mijn razende honger te stillen. Bij zulk eene gelegenheid hoorde ik den cipier zeggen : " Ziet mij dien HolIander , dat heet ik eerst hongeren !" -- en bij die over- tuiging gaf mij den man geen enkel stuk brood! --- Maar de nood was nog niet op het hoogste geklommen. Ik moest nog meer lijden. Het was mij niet meer mogelijk te kunnen slapen ; hoe ik mij op
de brits wentelde of keerde , geen sluimer wilde mijne oogen luiken. Ik schreef dit in het eerst toe aan het verontrustende ongedierte , dat mij ondanks alle moeite bijbleef ; en te vermenigvuldigen scheen in plaats van af te nemen ; want de in geene maanden verfrischte kleederen waren er als van doorkropen.


Maar waar ik mij ook neder lag , wat ik ook beproefde , ik kon niet slapen ; nacht aan nacht bleef ik wakende doorbrengen. Voorzeker was de ontbering van het noodige voedsel daarvan oorzaak. Ik had die
verschrikkelijken toestand gewis niet lang meer kunnen uithouden. Maar als de nood op het hoogste is , is vaak ook de hulp nabij , en zoo was het ook met mij. Het uur mijner verlossing naderde ! Eene week van te voren , was ik gelast in een anderen vleugel van het gebouw mijn verblijf te gaan nemen. Ofschoon dit in alles aan het verlatene gelijk was , had het er
echter iets bij vooruit , en dat niet zonder waarde

- 203 -

was een glasraam , waardoor men het uitzigt op eene der straten had. Op zekeren avond , had er eene algemeene illuminatie plaats. Wij hoorden dat er bij Leipzig een groote veldslag was voorgevallenen , waarin de geällieerden de overwinning behaald hadden. Hoe mij die tijding trof ! hoe gelukkig ik , mij rekende uit mijn eerste verblijf hier gebragt te zijn ! want anders was ik zeer zeker met deze zoo belangrijke gebeurtenis onbekend gebleven. Uit de gesprekken toch , die ik tot heden door mijne lotgenooten had hooren houden , had ik niets anders kunnen opmaken , of de Franschen deden nog altijd wonderen van dapperheid , en avanceerden van dag tot dag , ja, zouden welhaast Breslau weder in hunne magt hebben en ons de vrijheid schenken. Die hersenschimmige denkbeelden , waaraan ik door onkunde niet twijfelen kon , werden dus op eens verdreven , en de waarheid trad voor mij aan het licht en de hoop werd levendig in mij , dat dit verslaan van het leger des Keizers niet zonder invloed op mijn lot zou kunnen zijn. .

Onder de gesprekken die ik alzoo op de brits aanhoorde , was er een dat mij onaangenaam trof. Het was toen mijn vroeger genoemde landgenoot uit ons midden gehaald werd. " Dat is zeker een spitsboef ," was 't eenparig. " Waarom moet hij anders naar de vesting , en dat wel in ketenen geboeid ? Gewis t' is een eerste schelm !" En ofschoon ik den man niet kende , en het niet konde geloven , het deed mijn nationaal gevoel bitter wee , dus over hem te hooren spreken.

" Wat zullen ze wel van mij gezegd hebben ?" heb ik menigmaal gedacht , toen ik in Schweidnitz weder 

- 204-

gevangen zat ; want weinige dagen na het vertrek van mijn landgenoot , klonk het door ons verblijf " de Hollander moet afkomen !"Zoodra ik dit hoorde , was ik van de brits opgesprongen , en in minder dan eene minuut aan de deur uit den kerker en het plein over. -- " Groote God !" riep ik uit , toen ik in : den gang kwam , die naar buiten geleidde , en den cipier , uit de menigte van boeijen , die aan den muur hingen , er eene zag afnemen , en hij mij gelastte het regterbeen vooruit te zetten. Het was of de grond onder mijne voeten wegzonk , toen hij een zwaren beugel om dit been begon vast te klinken. Duizende gedachten vlogen door mijn verward brein. Ik , die vrijheid verwacht had --- vond ketenen !

Kerel heb ik een moord begaan , dat ge mij zoo knevelt ?" voerde ik den cipier toe ; maar de man die geen medelijden kende , bleef even hardvochtig en gelastte mij glimlagchende de regterhand uit te steken , waaraan mede een beugel geklonken werd die door eene ketting aan de voetboei vereenigd werd , waaraan men ten overvloede nog een slot legde.

Tranen sprongen uit mijne oogen bij dat gezigt. Ik , dacht aan mijn vader en moeder. 0 , als zij mij zóó eens , gezien hadden ! De pen ontzinkt bijna mijne hand , bij het beschrijven , hoe ik daar stond , ik , die te huis het leven volop genieten kon , hier in twee en twintigjarigen leeftijd als een misdadiger geboeid , arm en berooid , honderde uren ver van Vaderland en magen ! O ! ik hief den keten op , dat hij ver boven mijn hoofd reikte , maar wat baatte die magtelooze

- 205-

woede ? Het geraas van de schalmen deed mij mijn lot des te dieper gevoelen. 

In dien deerniswaardigen toestand ging ik , tusschen twee soldaten , door de straten van Sileziëns hoofdstad. Het was of de keisteen en voor mij uit den grond oprezen , bij elke schrede die ik deed , en ofschoon geen mensch uit de velen , die zich op onzen weg schaarde , mij kende , ik sloeg toch mijne oogen neder ; want ik schaamde mij over mijzelven van zoo zeer vernederd te zijn.

Voor het hotel van den plaatskommandant hielden wij halt. Ik was blijde daar te zijn ; want de blikken der gedurig aangroeijende menigte werden mij telkens ondragelijker. Een twintigtal Polakken stond voor de woning , en wachtte even als wij op den kommandant. Eindelijk trad deze naar buiten en op een woord van hem , ging het volk dadelijk terug.

Hij liet zijn oog over de Polakken gaan , die in Scheidnitz georganiseerd moesten worden , en toen deze revue afgeloopen was , overreikte hij een der escorteurs eenen brief.

Ik nam deze gelegenheid waar , om zoo mogelijk  een verandering in mijn lot te bewerken , en gaf den overste in gebroken Duitsch te kennen , dat ik wel gaarne dienst wilde nemen. - Zijn gezegde , " dat hij er den kommandant der vesting kennis van zou geven ," wentelde mij een steen van het hart ; want wederom gevangen gezet te worden , na zes weken zooveel leeds en jammer ondervonden te hebben , dat denkbeeld was te verschrikkelijk.

--ooOoo--


HOOFDSTUK XXI.


••

De moeijelijke voetreis. Het wirthshaus. Een lang ontbeerd genot. Een-
toonige weg. De Christusbeelden. Overdenkingen. Schweidnitz. De
boeijen afgenomen. Gekleed. Het correctiehuis. Een landgenoot.

Hoe het er in het gebouw uitziet. De spinzalen en hoe het werk
daar verrigt werd. Zingen en bidden. Goeden nacht.
••


Het was een koude maar helderen Novemberdag , toen wij Breslau verlieten. Het had dien nacht gevroren en de oneffen , slijkerige weg was met eene dunne ijskorst bedekt. Ik was nog maar weinige sch